Lezing Indië-herdenking

Lezing door Ron Krancher bij de Indië-herdenking op 15 augustus 2014 in de Synagoge te Weesp

 

Voordat ik begin…

…wil ik iets zeggen over de muziek die u bij binnenkomst hoorde. De eerste nummers waren afkomstig uit de jaren 1937 tot 1942. De muziek waar men in Indië naar luisterde en waarop men danste en sjanste, voordat daar de wereld wreed werd verstoord en voor een heleboel jongeren de mooie en spannende pubertijdsperiode van het ene moment op het andere moment veranderde in een nachtmerrie.

Het voorlaatste nummer was Bengawan Solo, bewerkt en gespeeld door Erwin van Ligten. Hij droeg het op aan zijn kort daarvoor overleden vader.
Het laatste nummer dat u hoorde was Sepanjang Jalan Kenangan, een lange weg vol herinneringen, gezongen door Ferry Verschuyl en de ons helaas ontvallen Jeanne Verstift.

 

De herdenking

We zijn hier bijeen om de capitulatie van Japan en daarmee de beëindiging van de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië te herdenken. Velen lieten het leven en het is belangrijk om daarbij stil te staan. Helaas betekende de capitulatie van Japan voor de mensen in Nederlands-Indië niet het einde van de ellende. Men ging een nieuwe fase van beproevingen in en ook dat mogen we nooit vergeten. Ik doel hiermee op de Bersiap-periode en de daarop volgende repatriëring naar Nederland.

 

De herinnering

Ferry en Jeanne zongen Sepanjang Jalan Kenangan, een lied over een lange weg vol herinneringen. Daar wil ik het vanavond over hebben. Over herinneringen en hoe belangrijk ze zijn.

In het kader van mijn studie, deed ik begin jaren negentig onderzoek naar de positie van de Indo-Europeaan en vroeg me daarbij af of er sprake was van een verdwijnend fenomeen. Ik deed literatuuronderzoek en hield interviews met leden van de oudere en jongere generaties. Tot mijn verbazing bleek dat men heel veel moeite had met het omschrijven van de eigen status. Wat is een Indische Nederlander? Wat is een Indo-Europeaan? Dat onvermogen deed me besluiten om kort en bondig nogmaals de diverse periodes te behandelen en daarbij ook bloot te leggen hoeveel moeite zelfs wetenschappers hadden en misschien nog hebben, om beide groepen te omschrijven, daarbij soms de plank volledig misslaand, met mogelijk desastreuze gevolgen.

Tussen 1949 en 1968 repatrieerden noodgedwongen ongeveer 300.000 mensen uit het voormalig Nederlands-Indië. Ongeveer 180.000 van hen waren Indo-Europeanen.
Volgens de definitie van Paul van der Veur in het boek “Indische Nederlanders in de ogen van de wetenschap”, zijn Indo-Europeanen:

“… personen van gemengde bloede, met een Europese voorvader, die in de Indische koloniale maatschappij beschouwd werden als ‘Europeanen’. Deze personen verschilden in culturele, maatschappelijke, politieke en wettelijke zin van hun broeders en zusters van gemengde bloede die niet-Europeaan waren.” (van der Veur in: Wim Willems (red) 1990:113).

Deze omschrijving is helder en biedt de mogelijkheid om de groep Indo-Europeanen te verplaatsen in tijd en context. Toch wordt in de definitie van van der Veur slechts gesproken over een Europese voorvader en geen melding gemaakt van de Indonesische voorouders.

 

Waarom deze aandacht voor de subgroep Indo-Europeanen binnen het groter geheel van Indische Nederlanders?

Onder de 300.000 repatrianten waren mensen die voor een bepaalde periode waren uitgezonden naar de kolonie of die Nederland kenden van verlofreizen, maar voor de meesten van hen, vooral onder de 180.000 Indo-Europeanen, was Nederland niet meer dan het moederland waarover ze op school hadden moeten leren, waarover ze in de kranten hadden gelezen of waarmee ze kennis hadden gemaakt via verhalen van teruggekeerde verlofgangers. Het was voor velen een vreemd land en men vroeg zich af of men er welkom was.

 

Wat liet men achter?

In ieder geval geen homogene samenleving. De samenleving in Nederlands-Indië was sterk raciaal ingericht, waarbij volgens de wetenschapper Zentgraaff de Indogroep als een verticale figuur in de samenleving stond. Hij schrijft:

“De indogroep vormt geen laag onzer samenleving, doch staat daarin als een verticale figuur: het onderste deel staat tusschen de Inlanders en de top staat tussen de besten van ons.” (Zentgraaff in: J. Th. Petrus Blumberger 1939:7)

De verdeling was anders dan die Zentgraaff meende te zien. Er was geen sprake van een zuil, maar van een piramide. In die piramide kon een kleine groep Indo-Europeanen zich tot de elite in de top rekenen en een hele grote groep gemengdbloedigen, waaronder veel Indo-Europeanen, vormde samen met de Indonesiërs de brede basis. Deze Indo-Europeanen leefden veelal marginaal. Je moet daarbij denken aan los-vast baantjes en afhankelijkheid van gunsten; ingeklemd tussen de Indonesische en Europese wereld. Het is daarom niet vreemd dat velen van hen verpauperden. Deze Indo’s, met hun niet te benijden positie in de brede basis van de piramide, bleven achter in de voormalige kolonie.

Het aantal gemengdbloedigen is moeilijk te schatten, maar het waren enkele miljoenen, waarbij zelfs ooit een schatting is gedaan van acht tot negen miljoen. Velen van hen waren Indo-Europeanen. In dat licht bezien is het maar een kleine groep Indo’s die naar Nederland repatrieerde en hier of elders in de westerse wereld, een nieuwe toekomst opbouwde.

Dit is niet de plaats en het moment om al te diep in te gaan op het karakter van de koloniale samenleving en de grote verschillen die er waren tussen de ‘grote boeng’ en de ‘kleine boeng’. Wel is het belangrijk, essentieel zelfs, om wat betreft de Indo-Europeanen te wijzen op het bestaan van de Indonesische voorouders; meestal een stammoeder.

Het is duidelijk dat de eerste Indo-Europeanen in Nederlands-Indië ontstonden toen westerlingen intiem contact hadden met ‘Inlandse’ vrouwen. Voor de wet waren het buitenechtelijke relaties en kinderen geboren uit zo’n relatie waren zondig. Ze waren gemengdbloedig. Ze waren mixtiezen, zoals ze in die tijd werden genoemd. Later, in de negentiende eeuw, werden ze aangeduid als ‘Inlandse kinderen’ of ‘sinjo’s en pas in de laatste jaren van de koloniale periode werden de termen ‘Indo’ en ‘Indisch’ gebruikelijk, waarbij de term ‘Indisch’ niet moet worden verward met de post-koloniale term Indische Nederlanders. Ik kom hier later op terug wanneer ik de definitie voor Indische Nederlanders en gerepatrieerden van Ellemers en Vaillant bespreek. De seksuele contacten konden plaatsvinden via prostitutie, concubinaat of huwelijk. Het was dus toegestaan om een ‘Inlandse’ vrouw te huwen, maar wel op voorwaarde dat zij de christelijke godsdienst had aangenomen. Daarnaast verviel meestal ook het recht op repatriëring. Hoe dan ook was toestemming van de overheid nodig om te mogen trouwen. Dat gold trouwens voor alle huwelijken, ook voor die met een Europese vrouw. Officieren en kooplieden kregen meestal geen toestemming.

In 1848 werd het godsdienstig criterium afgeschaft. Vanaf dat moment mochten ‘Inlandse’ vrouwen en mannen met Europeanen of daarmee gelijkgestelden in het huwelijk treden, maar dat viel in de praktijk niet mee. Om die reden leefden velen volgens het concubinaat, een verbintenis die niet door kerk of staat was gesanctioneerd. Veel Indo-Europeanen stammen uit dergelijke verbintenissen.

De positie van de ‘Inlandse’ moeder waarbij buitenechtelijk een kind was verwekt, was niet wettelijk beschermd. Over haar kind had ze weinig tot niets te zeggen omdat ze niet geschikt werd geacht om over de belangen van haar eigen, tot de Europeanen-kaste behorend kind te waken. Het kwam ook niet zelden voor dat de verhouding van de kinderen tot de moeder er een was van sociaal hogeren tot sociaal lagere, een situatie die zich ook in het gezin kon voordoen tussen licht getinte kinderen en hun donkerder getinte broers of zusters.

Later, in het begin van de twintigste eeuw, was er in deze situatie nog niet veel veranderd. Een door Ingrid Harms en Tessel Pollman geïnterviewde oudere heer, wiens vader administrateur was op de plantage van een grote Nederlandse handelsonderneming, vertelde dat zijn vader, een Nederlander van een bekende familie, van de directie te horen kreeg dat hij ‘die vrouw’ weg moest doen. En dus deed hij haar weg. Ter compensatie gaf hij haar vijftienduizend gulden mee. Hun drie kinderen werden ondergebracht bij Indische mensen. Pas toen hij zeventien jaar oud was kreeg meneer zijn moeder weer te zien. Veel andere verstoten ‘njai’s’ (concubines) kregen weinig of geen geld mee. Die moesten het zelf uitzoeken; met of zonder hun kinderen.

Veel militairen, waarvan tot 1895 ongeveer de helft uit Europese mannen bestond, leefden in concubinaat. De lagere in rang moesten wel omdat ze het materieel gezien niet best hadden. Ze konden van hun inkomsten nauwelijks een gezin onderhouden. Een huwelijk werd voor hen daarom praktisch onmogelijk. Officieren hadden het veel breder, maar kregen zo wie zo geen toestemming om met hun ‘njai’ te trouwen. De uit het concubinaat geboren kinderen konden door hun vader worden geadopteerd, erkend of gewettigd, maar veel uit dergelijke verhoudingen geboren kinderen verdwenen in de kampong.

De positie van de ‘njai’ was dus heel onzeker en kon vele vormen aannemen. Pollman en Harms schrijven daarover:

“De njai was een huishoudster die zich bewoog op de grens van het bediendendom, de huisvrouw, de echtgenote en de prostituee. Het lag aan het karakter van beide partners en aan de welstand van de blanke man welke van deze vier facetten het meest in het oog sprong. Naarmate de man beter opgeleid was en welvarender was (of werd) was de njai minder gezellin, minder echtgenote en meer slavin en huishoudster. Naarmate de man slordiger was met zijn affecties, was zij meer prostituee. Kenmerkend aan haar positie was dat zij ieder moment zonder meer naar huis gezonden kon worden, met of zonder de kinderen die zij bij haar partner had. Zij was volstrekt rechteloos. Geen man hoefde haar te trouwen.” (Pollman & Harms 1987:125-6).

 

Waarom zoveel aandacht voor de ‘njai’?

Voor verreweg de meeste personen van gemengd Europees-Indonesische afkomst representeert de njai het Aziatische element in hun afkomst. Hoe autochtoon men zich ook voelt in de Europese maatschappij waarin men leeft en woont, waar men de jeugd heeft doorgebracht en is opgegroeid, voor velen is ze de stammoeder. Vaak is men zich ook niet bewust van het bestaan van de Indonesische stammoeder, omdat de blik, met name gevoed door ouders en grootouders, vooral sterk Europacentrisch gericht is of in ieder geval was.

In het begin van de twintigste eeuw werd het concubinaat streng afgekeurd. Hiervoor in de plaats kwam de prostitutie. Dat had vooral te maken met de sterke groei van de groep Indo-Europeanen, waardoor de grenzen tussen de rassen vervaagden. De ene keer werd het concubinaat dus gezien als een loffelijk sociaal verschijnsel en de andere keer als een politiek gevaar.

Een voorbeeld over hoe er in de jaren dertig van de vorige eeuw werd gedacht over het concubinaat is de mening van J. Th. Koks, zoals hij die in 1931 opschreef in zijn boek “De Indo”. Hij schrijft:

“Vooropgesteld dat het tuig is, dat zich leent tot concubinaat met soldaten, kan men bij Inlandse vrouwen vaak een omslaan ten goede constateren, als het leven met denzelfden soldaat langeren tijd gaat duren, waarvan het gevolg is een terugslag op den soldaat…” (Koks 1931:207).

Enkele pagina’s verder schrijft hij:

“…de Inlandsche meiden, die ter beschikking staan van de fuselier zijn inderdaad niet van superieure kwaliteit.” (Koks 1931:209).

We moeten de opmerkingen in de context zien van tijd en plaats, maar fraai zijn ze niet en ze tonen op harde wijze aan hoe er gedacht werd over Indonesische vrouwen die, door hun relaties met Europeanen, uiteindelijk stammoeder werden van een Indo-Europese familie. De kinderen uit zo’n verbintenis moesten, zoals gezegd, maar afwachten of ze door de vader werden erkend, of dat ze in de kampong terecht kwamen. Zo onzeker als de toekomst voor deze kinderen was, zo onzeker was de toekomst voor de Indo-Europeanen in het algemeen.

Ik begon mijn verhaal met te vertellen dat in de periode 1949 – 1968 ongeveer 300.000 Indische Nederlanders naar Nederland repatrieerden. Dat deden ze niet zomaar. Voor de Japanse inval had de top van de samenleving het prima voor elkaar. Ook mijn grootvaders van beide zijden bekleedden hogere posities en konden zich vele geneugten veroorloven. Mijn grootvader van vaderszijde hield als hobby o.a. paarden, zangvogels en postduiven. Mijn grootvader van moederszijde tenniste veel, ging vaak uit dansen en hield ook zangvogels en postduiven. Die laatste hobby’s deelden ze in verenigingsverband, bracht hen vriendschap en dat zorgde er weer voor dat mijn ouders elkaar leerden kennen, waardoor ik hier nu sta.

Ik ben opgegroeid met muziek van de The Andrew Sisters, Big Bands, de krontjong van o.a. Rudy van Dalm en de sound van de Hawaiian Minstrels. De soort muziek die verstomde toen de Japanners binnenvielen en die eenmaal in Nederland weer weemoedig klonk. Vanaf dat moment hoorde ik alleen maar verhalen over die goeie ouwe tijd. Vergeten was het leed, zo leek het.

Niets is minder waar. De oorlog, de daaropvolgende Bersiaptijd en de repatriëring hadden diepe wonden geslagen. Een aantal voorbeelden van doorgemaakt leed is opgenomen in mijn boek. Ik zal hiervan enkele, in willekeurige volgorde noemen.

  • Henk Hovinga beschrijft in zijn boek “Eindstation Pekan Baroe 1944-1945” hoe bij krijgsgevangen het beeld van de vrouw meer en meer vervaagde. In eerste instantie maakte men zich zorgen over vrouw en kinderen. Het gezin was in het begin daarom veelvuldig onderwerp van gesprek. Later, voortgekomen uit een gevoel van machteloosheid, werd het praten hierover nutteloos. Het beeld van de vrouw vervaagde om uiteindelijk zelfs uit het ‘droomleven’ van de man te verdwijnen.
  • Een ex-gevangene vertelde hierover het volgende: “het beeld van de vrouw verbleekte. Vaak hoorde men een gevangene diep terneergeslagen opmerken dat hij zich het gezicht van zijn vrouw niet meer kon herinneren. Anderen peinsden zich suf over de geboortedatum van hun vrouw…” (Hovinga 1982:188).
  • Een meneer vertelde aan Ingrid Harms en Tessel Pollman: “In het krijgsgevangenkamp heb ik al gehoord dat mijn vader was onthoofd. Ik heb het daar horen mompelen. Ik wilde het eerst niet geloven. Maar mijn broer, die woont nu in Breda, heeft het meegemaakt. Mijn broer is een dag voor de executie bij mijn vader geweest, toen heeft hij mijn vaders bril en zijn haar meegekregen. Een dag later werd hij onthoofd. Wat hij gedaan heeft, weten we niet, maar het was geen man die zich liet commanderen.” (Harms & Pollman 1982:14).
  • Kampverhalen gaan vaak over doorgemaakt lichamelijk lijden. Wie kent niet de verhalen over Japanners die gevangenen afranselden. Lieden als Sonai, bijgenaamd ‘Jan de Mepper’. Hij stond aan het hoofd van het Tjideng Vrouwenkamp en het Kramatkamp, beiden in Batavia. Voor het minste geringste kreeg men een afranseling. Volgens ex-geïnterneerden genoot hij ervan om mensen te slaan.
  • Een meneer vertelde me dat hij gedurende zijn periode van gevangenschap niet wist hoe het met de rest van het gezin ging. Pas na beëindiging van de oorlog kreeg hij van het Rode Kruis een brief waarin stond waar zijn moeder zat en daarbij ook de mededeling dat zijn vader een maand na de bevrijding, in het kamp aan honger-oedeem was overleden.
  • Een andere door mij geïnterviewde meneer vertelde over de angst die hij als kind had. Hij herinnert zich bombardementen en de om hem heen liggende dode tantes. Brokstukken. Rennend aan de hand van een andere tante. Lichamen. Ze zijn nooit geïnterneerd geweest. Er waren namelijk geen kampen op Ternate. Ter afschrikking hakten de Japanners af en toe wat hoofden af. Hij herinnert zich de angst die van zijn ouders op hem afstraalde. Hij had als kind lichtblond haar en zijn ouders deden er alles aan om zijn haar donkerder te kleuren, bang als ze waren dat hij zou worden opgepakt. Hij vertelde me dat hij hierover nooit met zijn vrouw en kinderen had gesproken omdat ze, volgens hem, de angst toch nooit hetzelfde zullen voelen.
  • Mevrouw Moscou-de Ruyter vertelde over haar echtgenoot, die na Japanse gevangenschap terugkeerde en haar in eerste instantie niet herkende. De ontberingen die ze had doorstaan hadden haar uiterlijk dermate veranderd dat haar eigen man haar niet herkende. Let wel: de ontberingen had ze buiten de kampen doorstaan. Ze vertelt: “…Ogenblikkelijk lieten ze me erdoor en ik vloog naar die bekende figuur die nog steeds met mevrouw Schwencke sprak. Toen ik hem om zijn hals vloog, duwde hij mij van zich af. Hij herkende mij niet. Ik was vergeten dat dat ook niet anders kon; hoe zag ik eruit? Hij keek verwonderd naar dat uitgeteerde lichaam, de grijze haren en het donkerbruin verbrande gezicht. Ik lachte naar hem en toen kwam zijn blijdschap boven.” (M. Moscou-de Ruyter 1984:189)

 

Het hield niet op

Het hield niet op met de Japanse capitulatie. Indonesië riep de eigen staat uit en de daaropvolgende Bersiap-periode zorgde voor nog meer angst en onzekerheid. Grote groepen Indonesische jongeren zwierven in het donker door de straten. Weer was men zijn of haar leven niet zeker. Bekend zijn de gruwelijke verhalen over verkrachtingen, martelingen, verminkingen en dood. Verhalen over ‘Boeat potong kambing’, de geit slachten. Met de geit werd de Europeaan bedoeld. In oktober 1945 stond op een gebouw in Jakarta met grote letters geschreven:

TO HELL WITH COLONIALISM: DOOD AAN DE AMBONEZEN EN INDOS

Toch waren er die vertrouwden op hun goede relatie met hun Indonesische buren. Zoals die mensen die in een dessa bij Bandung woonden:

“Ons zullen ze niets doen. We leven hier in harmonie.”

Allen zijn vermoord. Niet door hun buren, maar door de rondzwevende groepen pelopors.

Een verpleeghulp, in die tijd werkzaam in het Borromeus Ziekenhuis aan de Dagoweg in Bandoeng, vertelde hierover:

“…wat ik in het Borromeus te zien en te verwerken kreeg, laat zich met geen pen beschrijven (…) Behalve de gruwelijk verminkte volwassenen spaarden de opstandelingen ook de weerloze kinderen niet. Iedere dag weer werden er Chinese baby’s met afgehakte handjes en voetjes, kinderen met afgesneden neuzen en oren, ontmande grotere jongens en verkrachte meisjes met afgesneden borsten het Borromeus binnengebracht.” (Iens van Doorn in: Van Delden 1989:138).

Na de angst, pijn, machteloosheid, vernederingen, radeloosheid, uitzichtloosheid, eenzaamheid, verdriet, woede en haat, volgde frustratie. De periode na de repatriëring. Het besef alles te hebben moeten achterlaten en elders een nieuw leven te hebben moeten opbouwen. Het was niet gemakkelijk. Het was hard werken om voor jezelf een plekje te verwerven. Niet iedereen was daar succesvol in. Velen raakten gefrustreerd.

Ik vertelde u dat ik zou terugkomen op de definitie van Ellemers & Vaillant. Een definitie die op pijnlijke wijze iets blootlegt. Volgens hen zijn Indische Nederlanders en gerepatrieerden:

1. “Al degenen die uit Indië/Indonesië zijn gemigreerd en zich definitief in Nederland hebben gevestigd en thans nog in leven zijn.

2. De nakomelingen van de onder (1) genoemde categorie tot in de derde generatie die nu nog in leven zijn en zich nog enigermate met Indië/Indonesië, Indische Nederlanders of gerepatrieerden identificeren, ongeacht of zij geboren zijn uit huwelijken met eveneens uit Indië/Indonesië gemigreerden of met anderen.” (Ellemers & Vaillant 1985:54).

Ze verklaren hun definitie als volgt:

“Indien uitsluitend aandacht aan de Indo-Europeanen zou worden besteed, vallen de niet-Europeanen die wettelijk gelijkgesteld werden aan de Europeanen en de ‘volbloed’ of ‘import’ Europeanen (m.n. Nederlanders) buiten ons gezichtsveld, hetgeen een zeer onvolledig beeld zou geven. Behalve deze beperking roept het begrip Indo-Europeanen associaties op met de koloniale bevolkings-categorisering die aan zeggingskracht verloren heeft en ten dele opgenomen is door het begrip Indische Nederlanders; een term die overigens pas algemene ingang vond tijdens en na de repatriëring naar Nederland in de jaren veertig tot zestig.” (Ellemers & Vaillant 1985:13).

Bovenstaande afbakening zorgt ervoor dat de bedenkers omwille van de analyse een hele categorie – de Indo-Europeanen – in de alles omvattende term Indische Nederlanders en gerepatrieerden ‘verbergen’. Daarnaast bakenen ze het bestaan van deze hele groepering, inclusief de Indo-Europeanen, af tot in de derde generatie. Met andere woorden: Hierna houdt het op!

De affiniteit van de kinderen en kleinkinderen van Indische Nederlanders zonder Indonesische stamouders, zal inderdaad afnemen en uiteindelijk verdwijnen, maar geldt dat ook voor de kinderen en kleinkinderen van Indo-Europeanen?

Ik betwijfel dat. Hun aandacht kan verder gaan dan slechts de aandacht voor de Nederlands-Indische periode. Voor hen geldt dat een deel van hun wortels – m.i. het best te omschrijven als de ontstaansgeschiedenis van hun familie – gelegen is in Indië of Indonesië.

Is het dan gerechtvaardigd om deze groep mee te nemen in een statisch concept zoals Ellemers en Vaillant die hebben gepresenteerd? Een statisch concept dat tevens suggereert dat we een herdenking als deze in de nabije toekomst niet meer hoeven te houden? Het is wat hen betreft na de derde generatie toch allemaal afgelopen.

Het stoort me. Een dergelijke afbakening kan destructieve effecten hebben. Ik zal daar een praktisch voorbeeld van geven.

In Surabaya ligt Kuburan Peneleh, een oud Europees kerkhof, met duizenden graven uit een belangrijke periode van de Nederlands-Indische geschiedenis. Mijn echtgenote Hitty, dochter Aïsha en ik, hebben begin dit jaar wekenlang foto’s van de graven gemaakt. Elk graf en indien aanwezig ook de dekstenen met grafteksten, hebben we gefotografeerd. Waarom? Om het op deze manier te bewaren voor de volgende generaties. Het is onbegrijpelijk dat dit niet al veel eerder vanuit overheidswege of vanuit andere daarvoor opgerichte organisaties is gebeurd. Aan de kosten kan het niet hebben gelegen. Wellicht is een gebrek aan affiniteit daarvan de oorzaak.

Meer en meer raakt het kerkhof in verval en staat nu op de nominatie om te worden geruimd. Na jarenlange praatsessies, is het huidige denken nu gericht op het redden van in het oog springende praalgraven om daarna de rest van het kerkhof vrij te geven voor uitbreiding van de omringende kampong. Met bulldozers zal dat deel van de geschiedenis met de grond gelijk worden gemaakt; net zo rücksichtslos als gebeurt bij het afbakenen van het bestaan van de Indo’s tot in de derde generatie, omwille van de analyse en ten koste van de herinnering.

Het is triest te moeten constateren dat slechts de praalgraven voor de beleidsmakers interessant zijn en dat de graven van mijn betovergrootvader en betovergrootmoeder, hun ouders, hun kinderen, de rest van mijn familie en al die duizenden leden van andere families die daar hun laatste rustplaats hebben gevonden, zullen worden vernietigd.

Het zijn ook niet slechts graven. Het zijn ook verhalen.

Vernietigd wordt bijvoorbeeld graf nr. E-7931, het graf van Koos Kouthoofd, die op 24 november 1881 in Soerabaja werd geboren en in dezelfde stad op 31 maart 1901 op gewelddadige wijze om het leven werd gebracht. Dankzij verslagen in de krant weten we hoe het komt dat Koos slechts negentien jaar oud werd.

Vernietigd wordt ook graf B-841, het graf van mevrouw Hoedt-Loth. In deze graftombe liggen de voorouders van Wieteke van Dort.

Elders op het te ruimen grafveld ligt graf nummer B-254. Daarin liggen de resten van het echtpaar Hofman-Boermeester, de voorouders van prinses Laurentien, dochter van Laurens-Jan Brinkhorst.

Zo zijn daar nog veel meer graven, met elk hun verhaal. Meer informatie en verhalen over bekende graven zijn te vinden op de website van Hans Boers. Op de website staan o.a. foto’s van grafveld Peneleh, waarbij de graven zijn voorzien van relevante achtergrond informatie. Ook maakt hij gebruik van informatie aangeleverd door Boeroeng; webmaster van  Indisch4Ever.

 

Wat kunnen we zelf nog meer doen?

We kunnen om te beginnen praten en luisteren. Leed moet je niet abstract maken. Hoe groter de getallen, hoe vager het beeld dat we erbij kunnen oproepen. Leed moet je dichterbij brengen om het beter te begrijpen. Dat kan door praten met familieleden en kennissen en het kan door middel van familieonderzoek, waardoor je in ieder geval periodes uit het leven van je ouders en andere familieleden kan reconstrueren, begrijpen en voelen. Ik noem u zomaar wat voorbeelden.

  • Mijn moeder vertelde me over de angst die ze had tijdens de Bersiap tijd. Jammer genoeg nam ze die angst mee naar Nederland en is er nooit overheen gekomen. Ze bleef schrikachtig en bang voor het donker.
  • Mijn opa heeft de oorlog doorgebracht werkend aan de Pekan Baroe spoorlijn. Hij werd in 1942 thuis opgehaald en verdween. Later bleek dat hij daar te werk was gesteld. Zoals zovelen is overkomen zagen zijn vrouw en kinderen hem pas na de oorlog weer terug.
  • Twee van mijn ooms waren aan boord van het Japanse transportschip Junyo Maru dat op 18 september 1944 door een Engelse onderzeeër werd getorpedeerd. Slechts 675 opvarenden overleefden de ramp, terwijl 5600 mensen omkwamen. Oom Alex overleefde de ramp en werd, na door een Japanse korvet uit zee te zijn gevist, op transport gezet naar Pekan Baru, waar hij zware arbeid moest verrichten aan de spoorlijn. Oom Arthur overleefde de ramp niet.
  • Een andere oom werkte aan de Birma spoorlijn. Hij heeft nooit over die tijd willen praten. Ook niet met zijn vrouw en kinderen. De littekens op zijn rug, veroorzaakt door zweepslagen, waren de uiterlijke sporen die hij de rest van zijn leven met zich meedroeg.
  • Mijn moeder vertelde me ook over de steeds weer terugkerende nare herinneringen. Herinneringen over het dreigen weggehaald te worden bij haar moeder en zusjes, omdat haar blonde haar in de smaak viel van de Japanners. Mijn oma kon op het laatste moment voorkomen dat ze werd ingezet als ‘troostmeisje’; prostituee voor de Japanse soldaten.
  • Haar broertje zat de eerste jaren bij zijn moeder en zusters in het vrouwenkamp, maar werd, toen hij te oud werd, overgeplaatst naar een mannenkamp. Ik meen dat hij toen tien jaar oud was. Daar zat hij de oorlog uit tussen vreemden; ver van zijn familie. Eenzaam. Hij heeft dit trauma de rest van zijn leven meegedragen.
  • Mijn vader vertrok op de Hr. Ms. Kortenaer uit de marinehaven van Surabaya. Zijn schip was onderdeel van het eskader dat Karel Doorman volgde in de slag op de Javazee. Hij vertelde me dat het doodstil was aan boord. Iedereen deed zwijgend zijn werk, gevangen in de eigen gedachten. Aan het eind van de middag, een kwartier na het begin van de slag, werd de Kortenaer getroffen door een torpedo, klapte samen als een knipmes en zonk. Pas rond middernacht werden de overlevenden, waaronder mijn vader, uit zee opgepikt. Uren voordat hij werd gered heeft hij eerst nog het dode lichaam van zijn beste vriend los moeten laten.
  • De rest van de oorlog bracht mijn vader door op de lichte kruiser Hr. Ms. Tromp, dat de bijnaam ‘Lucky Ship’ kreeg omdat het iedere keer weer na zwaar te zijn getroffen een geallieerde haven wist te bereiken. Vijf maal meldden de Japanners dat ze de Tromp tot zinken hadden gebracht en vijf maal hadden ze het mis. Mijn vader kon niet zwemmen. Bij iedere treffer en het daaropvolgende trillen van het schip moet hij die angst weer hebben gehad, terugdenkend aan het moment dat hij zich vastklemde aan de rand van de reddingssloep en om zich heen zijn maten zag verdrinken. Hoeveel angsten moet mijn vader gedurende de rest van de oorlogsjaren hebben doorstaan. Hoe vaak ook heeft hij aan het lot van mijn moeder en de rest van de familie gedacht tijdens de uren dat hij geen dienst had en in zijn kooi lag? Wachtte zijn grote liefde nog wel op zijn terugkomst? Leefde ze nog?

Ik stond met Hitty en Aïsha op het achterdek van de pont naar Madura. Voor ons lag de haven van Surabaya, de haven waaruit we kort daarvoor waren vertrokken en links daarvan lag de marinehaven van waaruit mijn vader tweeënzeventig jaar geleden was vertrokken aan boord van de Hr. Ms. Kortenaer. Daar, aan boord van die pont, vertelde ik aan mijn dochter het verhaal van mijn vader.

Herinneren kan alleen als we onze kennis delen. De meeste van onze ouders waren daar niet zo goed in en ik kan me dat voorstellen gezien al het voorgaande. Helaas zijn de meeste van de ouders van mijn generatiegenoten al overleden en kunnen we niet meer vragen: “Hoe zat dat pap… mam?”

Maar toch, wie weet, zijn er die wel de tijd hebben genomen om met hun ouders te praten over vroeger. Over de oorlogsjaren, de Bersaptijd en de repatriëring, maar ook over de periode van voor de oorlog en over hun Indonesische grootmoeder of overgrootmoeder. Wie weet heeft een tante of oom wel het verhaal aan haar of zijn kinderen verteld. Kijk dus om je heen. Wie van je neven of nichten heeft de kennis in huis die je ook graag wil hebben.

Ikzelf heb jaren geleden, met een taperecorder op tafel, interviews gehouden met mijn ouders, met mijn oma, met een tante en met een oom. Ik weet daardoor bijvoorbeeld dat de moeder van mijn oma Tominah heette en dat ze afkomstig was uit Kaliwiro, een dorp in de buurt van de stad Wonosobo op het Dieng Plateau. Ik weet dat oma Tominah’s vader Titrosemitro heette en haar moeder Païnen. Ik heb zelfs foto’s van het dorp gemaakt. Voor later. Voor de volgende generaties.

Ik merk dat steeds meer Indo’s, oud en jong, interesse krijgen in hun roots; hun ontstaansgeschiedenis. Anderen zijn al veel langer bezig op dit terrein, onder andere bevlogen mensen als Boeroeng met de website Indisch4Ever en Hans Boers met zijn website over, onder andere, Kuburan Peneleh. Sommigen houden de gedachte levend door het maken van muziek, of zoals Shelly Lapré via de dans en het organiseren van workshops. Anderen doen dat door het schrijven van boeken of het creëren van een kunstwerk, zoals Marion Bloem en Joyce Bloem, die elk vanuit hun eigen discipline het project ‘Sawah Belanda‘ hebben opgezet; een jaarlijks terugkerend ritueel van het planten en oogsten van rijst, omringd door indringende teksten.
Er zijn gelukkig nog veel mensen die de geschiedenis van Nederlands-Indië en de geschiedenis van de Indo’s bewaken en herdenken. Mensen als Eric Hage, die samen met Frida Bodisco deze herdenking heeft geïnitieerd, en Efa Reinewald die ons via haar ‘herinnerkoffer’ een blik bood in haar Timorese familiegeschiedenis.

 

Hoe belangrijk is deze avond?

Heel belangrijk. Veel Indische Nederlanders lieten tijdens de oorlog en de daarop volgende bersiap-periode het leven. In de sociaal-maatschappelijke ‘piramide’ die de Indische samenleving kenmerkte, zijn velen op één of andere manier slachtoffer geworden. Ze verloren zelf het leven of ze verloren mensen die ze liefhadden. Van hoog tot laag, door alle kleuren van de samenleving heen, heeft men op enig moment te maken gehad met angst of pijn, of met die al eerder genoemde gevoelens van machteloosheid, vernedering, radeloosheid, uitzichtloosheid, eenzaamheid, verdriet, woede, haat of frustratie. De meneer die tegen me zei dat zijn vrouw en kinderen toch nooit de angst hetzelfde zouden voelen heeft gelijk, maar verzwijgen is geen oplossing. Delen is de oplossing, opdat het nooit vergeten wordt.

Mijn raad? Kijk om je heen. Wie is er in je omgeving die jou meer kan vertellen over de tijd van je ouders en over de ontstaansgeschiedenis van je familie. Laat die anderen over hun ouders vertellen en je zult verrast zijn over de hoeveelheid verhalen waar ook jouw ouders in voorkomen. Dit geldt natuurlijk niet alleen voor de Indo-Europeanen en de Indische Nederlanders. Dit geldt voor iedereen die meer wil weten over de ontstaansgeschiedenis van zijn of haar familie.

Er zijn nog veel dingen die ik niet weet. Er gaat altijd wel kennis verloren, maar door de nieuwe zoektechnieken doen we onverwacht ook weer nieuwe kennis op. Ik ben van de generatie antropologen die niet zo goed mee kan met de nieuwste zoektechnieken. Mijn dochter, Aïsha Krancher, is veel beter dan ik thuis in de wereld van de moderne communicatie en dat is fantastisch, want zij behóórt tot die volgende generatie. Zij heeft voor u het een en ander op papier gezet. Tips over methoden en technieken. Onder andere tips over hoe en waar te beginnen met zoeken. En als u vragen heeft staat ze u na afloop graag te woord.

We hebben ook enkele boeken ter inzage klaargelegd. Enkele exemplaren van “De Indo-Europeaan: Een verdwijnend fenomeen?” en enkele exemplaren van ons Krancher familieboek ‘Dari Mana? (Waar kom je vandaan?). De laatste ligt ter inzage om te laten zien hoe wij te werk zijn gegaan en dat is anders dan de noteringen zoals in de genealogie gebruikelijk is en voor een leek op geheimtaal lijkt. Voor een leek is er nauwelijks een doorkomen aan. Eerst raakt hij of zij tijdens het ontcijferen geïrriteerd en daarna gefrustreerd. Het resultaat is dat je noeste arbeid in de kast verdwijnt, om er nooit meer te worden uitgehaald.

 

Onze manier van noteren

Door onze manier van noteren is het terugvinden van gegevens in het boek een stuk eenvoudiger geworden. Gegevens die opgesomd worden (zoals stamboomgegevens) gaan namelijk al vlug vervelen en dat is jammer. Een boek moet niet jarenlang in de boekenkast staan en maar één of twee keer in ons leven uit de kast worden gehaald om er een vergeten naam of datum uit op te diepen. Het moet een naslagwerk zijn; het moet blijven boeien.

We hebben voor onze familieboeken dus gekozen voor een presentatievorm waarbij het leesbaar blijven van de gegevens voorop staat. Daar waar mogelijk hebben we een verhalende vorm toegepast, waarbij we hopen dat de toegevoegde informatie de in de stamboom genoemde personen enigszins tot leven zal brengen en de periode waarin zij leefden beeldend zal maken.

Verder hebben we er voor gekozen om de opeenvolgende generaties van één gezin, achter elkaar in de stamboom op te nemen, zodat grootouders, ouders, kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen als gezin herkenbaar blijven. Ook dit komt volgens ons de overzichtelijkheid ten goede. Zo is direct alle informatie te zien van elk van de kinderen en kleinkinderen die in de eigen afstammingslijn of in die van een oom of tante thuishoren.

 

Ten slotte

Heeft u afgelopen dinsdag de documentaire ‘Buitenkampers’ gezien?
Een prachtig werkstuk, dat ons laat zien hoe zwaar het leven buiten het kamp kon zijn, maar dat ons ook liet zien hoe ver, ook in die situaties, werelden uiteen hebben gelegen en hoe groot de verwarring blijkbaar nog steeds is rond de begrippen Indische Nederlanders en Indo-Europeanen.

Maar, het doel van de documentaire is bereikt. Het liet ons zien hoe men ook buiten de kampen heeft moeten overleven. Overleven zoals bijvoorbeeld mevrouw Moscou-de Ruyter dat moest, net zoals mijn andere oma, die vluchtend van kampong naar kampong uit de handen van de kempeitai, de beruchte militaire politie wist te blijven, daarbij geholpen door bevriende Indonesiërs.

Als je niet meer genoemd wordt, zoals met de Indo’s gebeurt in de definitie van Ellemers en Vaillant over Indische Nederlanders en gerepatrieerden, of als je niet meer herdenkt, dan verdwijn je uit het collectief geheugen. Dan besta je niet meer. Deel dus de kennis, hoe pijnlijk dat soms ook kan zijn.

Zorg daarom dat je niet vergeet; opdat je niet wordt vergeten.

Dank u wel.

Ron Krancher

 

Comments are closed.