Staying Alive

Op vakantie in Spanje las ik mijn schrijfsels nog eens door en kwam deze tegen. Geen idee waarom dit stukje niet verder is gekomen dan mijn harddisk! Het schrijfsel herlezend kon ik een (glim)lach niet onderdrukken. Zelfs na twee jaar vind ik hem nog steeds leuk. Dus: Bij deze!

Staying Alive

‘Ontbijt van acht tot tien’ staat er op het kaartje waarop ons kamernummer is genoteerd en waarin onze elektronische sleutel stak, zoals in een ouderwets fotoalbum de foto’s nog in hoekjes zijn gestoken.

Om de februarikou in Nederland te ontvluchten boekten we een verdomd goedkoop reisje naar Benidorm. Twaalf dagen half-pension, in een prima hotel met dito restaurant.

We vermaakten ons er kostelijk en genoten van de zon en van de van hun oude dag genietende pensionado’s, die op de terrasjes hun drankjes nuttigden op de muziek van Tom Jones en Engelbert Humperdink. Het was leuk om te zien hoe men van de oude dag genoot en we namen ons voor om hier later nog een keer terug te komen, om net als hen te genieten van de zon op onze ouder wordende botten. Ja, het was er tegen de eerste verwachting in best leuk. Maar ook leerzaam. Hoe bijvoorbeeld zal ik op mijn oude dag leren om te gaan met situaties zoals hieronder beschreven en nog belangrijker: Wil ik daar wel mee omgaan?

Bomvol was de eetzaal. Werkelijk bomvol!

‘Is verdomme bomvol’ dacht ik, terwijl ik de zaal doorzocht op zoek naar een vrij tafeltje (of een potentieel vrijkomend tafeltje). Ik had al een behoorlijke trek ontwikkeld en had moeite om mijn irritatie te verbergen.

Vanaf acht uur werd het ontbijt geserveerd. Het kon niet anders dan dat al die oudjes, waarvan het merendeel zeer slecht ter been is, al lang voor de openingstijd op weg waren gegaan om verzekerd te zijn van een tafeltje, en geloof me een eenmaal ingenomen plek werd echt niet meer zonder slag of stoot prijsgegeven. De vervaarlijk uitziende wandelstokken leunden als wapens tegen de rand van hun tafel of hingen aan de leuning van de stoel. Sommige leken zelfs aan het uiteinde extra te zijn verzwaard.

Vriendelijk knikkend en af en toe ‘good morning’ wensend liep ik langs de gewapende bende, intussen om me heen speurend naar een tafeltje.

Ja”, riep ik iets te luid en zag links en rechts de handen al naar de wapens flitsen.

Haastig liep ik op het lege tafeltje af, intussen de oude van dage in de gaten houdend die vanuit een andere richting ook die kant op bewoog. Gelukkig stond het tafeltje helemaal aan de periferie en had ik al snel gezien dat mijn gedateerde tegenstander kansloos was. Snel gooide ik de ‘blauwe identificatiekaart’ midden op de tafel en hield het met een pepervaatje op zijn plek. Voor de zekerheid zette ik ook het zoutvaatje erbij en ging op zoek naar Hitty om haar van mijn overwinning op de hoogte te stellen. Ze was helemaal aan de andere kant van de zaal en liep op me toe toen ze mijn triomfantelijk zwaaiende arm zag. Ik wees haar ons tafeltje en tegelijk ook naar de radeloos om zich heen turende door mij verslagen senior, en spoedde me naar de frisdranken afdeling voor een gezond glas sinaasappelsap.

Terug bij ‘onze’ tafel boog ik me licht voorover om de glazen op hun plek te zetten en terwijl ik dat deed voelde ik twee tikken op de bovenste buitenkwadrant van mijn linkerbil. Omdat ik de tikken negeerde volgden er weer twee, nu iets harder en zo het leek ook iets lager, terwijl een mannenstem zei: “Je moet je kaartje niet in het midden leggen, maar aan de rand van de tafel.”

Terwijl ik me omdraaide vervolgde hij zijn zin met: “Ik heb al twee mensen weggestuurd die er wilden gaan zitten.” Ik bedankte de man vriendelijk, maar dacht: Wat een lariekoek. Ten eerste moet ik helemaal niks en ten tweede ben ik heel goed in staat om ze zelf weg te sturen mochten ze toch zijn gaan zitten, en ging weer weg om mijn bord vol te scheppen met een ‘English Breakfast.

Teruggekomen bij ‘mijn’ tafel zag ik dat zijn vrouw zich bij hem had gevoegd en ik herkende haar als degene die ‘tuut tuut tuut gehaast’ naar het naastgelegen zwembad was gesneld om daar twee ligbedden in de zon te claimen door er handdoeken overheen te leggen.

Ben je hier pas?” vroeg ze en voor ik kon antwoorden vervolgde ze met: “Je hoort een nieuw tafellaken te krijgen hoor!”

Haar eerste vraag beantwoordende ik door op mijn gebruinde gezicht te wijzen, maar daar nam ze geen genoegen mee, dus stelde ze de vraag opnieuw. Gespeeld vriendelijk vertelde ik haar dat ik al een week van de zon had genoten en daar, door het dragen van de zonnebril, een wasbeerachtige afdruk op mijn gezicht aan had overgehouden. Ik wees hen daarna op de rondrennende bediening, die nauwelijks aan de vraag van de meute kon voldoen en vertelde dat die het al zo druk had en dat het tafelkleedje op mijn tafeltje nog nauwelijks besmet was.

O,” zei ze.

Ja, die heb je er ook,” zei haar man zich verder met zijn eigen zaken bemoeiend, waarop ik terug dacht aan de vitrine met brood, boter, diverse soorten kaas en vleeswaren, Spaanse omelet, gebakken, gekookte, gepocheerde eieren, komkommer, tomaten en nog meer van dat lekkers, en me bedacht dat daarbij de pil van Drion ontbrak.

Intussen was Hitty aangeschoven. We aten zwijgend totdat de twee ‘indringers’ waren vertrokken en ik los kon gaan. Nog wel op gedempte toon want de ‘indringers’ stonden een aantal tafeltjes verderop weer anderen te irriteren, en het was nu ook weer niet zo’n zwaar incident om daarmee de hele goegemeente van slag te brengen.

Pas twee koppen koffie op en dan al dit gezeik,” fluisterde ik.

En dat toontje van ze,” zei Hitty, zich meteen realiserend dat ze het daarmee nog een ietsepietsie erger maakte.

Nog namopperend hoorde ik dat de Bee Gees één van hun tophits uit de speakers knalden.

‘Wo, wo, wo, wo… staying alive, staying alive…’ galmde het door de zaal en Ik kon een grijns niet onderdrukken. En om me nog meer op te vrolijken vertelde Hitty dat op de reanimatiecursus in haar ziekenhuis het tempo van de hartmassage wordt aangegeven op de tonen van ‘Staying Alive’, en ja… natuurlijk kan je ook mij dan wegdragen.

2016 © Ronald E. Krancher

Posted in Ron | Tagged | Leave a comment

Holy Sh*t

holy-shit-1-3

Wanneer je per auto door India reist maak je dit soort krankzinnige acties regelmatig mee, alleen heb je dan op zo’n moment meestal niet een camera in de aanslag om je hartverzakking met anderen te kunnen delen.

De foto is gemaakt in Rajastan, begin februari 2007. Rajastan is één van de kleurrijkste gebieden in India, zo niet dé kleurrijkste. Een gebied vol historische steden, met als bekendste namen: Jajpur, Jodhpur, Udaipur, Jaisalmer en Sam. We zijn daar graag. Het is een gebied met veel tot hotels omgebouwde oude paleizen, die trouwens niet altijd onbetaalbaar zijn. Met prachtige mensen ook; gehuld in kleurrijke gewaden. Dorpjes met spelende kinderen. Over de vlakten sjokkende grote groepen kamelen en hun drijvers. Een majestueuze adelaar cirkelend boven je hoofd. Tientallen gieren die zich verzamelen rondom een kadaver en de koppen diep in het al rottende lijf steken. Dat is Rajastan. Het prachtige en avontuurlijke Rajastan.

We waren op weg naar Jaisalmer (de middeleeuwse ommuurde stad in de woestijn, dichtbij de grens met Pakistan) en het was erg rustig op de kaarsrechte weg, waar in de verste verte geen bocht te zien was. Ik had net een foto gemaakt van langs de weg spelende kinderen, toen deze gek ons tegemoet kwam. De vrachtwagen (mijn beste vriendje noemt dat nog een wawa) was de laatste van een groepje van drie en de man achter het stuur besloot dat dit het juiste moment was om de twee voor hem rijdende lorries in te halen.

Ik ben ervan overtuigd dat hij ons heeft zien aankomen en ik ben er ook van overtuigd dat hij bij zichzelf dacht: “Ik ben lekker groter, dus @#%$&^(*&^.”

Onze chauffeur wist op het nippertje de op ons afrazende, geestelijk gestoorde bestuurder en zijn tientonner te ontwijken en wist ons ook de rest van die maand te behoeden voor zwaar lichamelijk letsel. Wij beloonden hem daarvoor met een ruime tip, waarop hij op zijn beurt ons weer bedankte met een brede glimlach. Wij glimlachten natuurlijk terug, want we houden niet van disbalans.

Onze chauffeur heeft iets dat – en ja, het moet gezegd – velen in India helaas ontberen, namelijk: verantwoordelijkheidsgevoel oftewel bertanggung jawab, zoals dat in het Indonesisch heet (mocht je daarin geïnteresseerd zijn; wat ik betwijfel, vooral omdat deze column over India gaat).

Hoe dan ook is het altijd weer spannend en interessant in India, en ondanks de gevaren (en die zijn er niet alleen op de weg) zijn we er maar wat graag. Nu nog wel even aan de dames en heren aldaar duidelijk zien te maken dat we ook weer gezond thuis willen komen en geloof me, dat is in het diep religieuze land een heidens karwei.

2018 © Ron Krancher

 

Posted in Ron | Tagged , | Leave a comment

The Spit

Button "The Spit" Levittown New YorkZoekend in de dekenkist gevuld met ‘dingetjes’ uit ons verleden, vond ik in een doosje iets anders dan waar ik in eerste instantie naar op zoek was. Tussen allerlei kleine rommeltjes vond ik een button met daarop de tekst ‘SPIT’.
Het is maar een kleine button. Slechts anderhalve centimeter in diameter, met rode letters op een zwarte ondergrond. De vondst bracht bij mij herinneringen boven uit mijn jeugd.

In Weesp was ooit een nachtclub en daar waar de andere plaatsen voor vertier (de P.O.C., Flat 113 en het Achtervosje) al om middernacht moesten sluiten, mocht de nachtclub open blijven tot drie uur. Hoe de eigenaar dat voor elkaar had weten te krijgen is nog steeds een raadsel, maar je hoorde niemand klagen.

Met de eigenaar is het trouwens slecht afgelopen. Hij was getrouwd met een erg mooie vrouw die, helaas voor hem, niet bepaald huwelijkstrouw was. Ze hield er diverse vriendjes op na en maakte op een gegeven moment kennis met een knaap die zijn geld verdiende in de drugshandel. Harddrugs welteverstaan. Hij was een grote jongen in dat circuit, maar nog net niet dé drugsbaron. Hij overlaadde haar met mooie en vooral dure cadeaus en zij showde die dan ongegeneerd, wanneer ze haar opwachting maakte in de nachtclub. Ze kreeg van hem diamanten, gouden oorringen en kettingen, een blauwvos (bontjas) en werd daarnaast ook geïntroduceerd in het wereldje. Ze was zonder twijfel een ‘golddigger’. Die heb je natuurlijk in alle vormen en maten, maar M. had, naast haar zucht naar geld en aandacht, een klasse die je niet vaak tegenkwam. Ze viel op. Ze had stijl en kon zich probleemloos in alle kringen bewegen, als was ze door haar ‘baron’ in de adelstand verheven. Wij konden het erg goed met haar vinden, maar dat kon alleen maar omdat we geen gevaar voor haar vormden (wie weet daarover een andere keer).

Haar ‘baron’ liet door zijn entourage aan haar echtgenoot duidelijk maken dat het slikken was of stikken. Uiteindelijk werd het stikken, want hij reed zich ‘s nachts, op weg naar huis, dood tegen een vrachtwagen. Het was een frontale botsing en er werd direct al vermoed dat hij de botsing met opzet had veroorzaakt. Mogelijk uit liefdesverdriet, maar er werd ook gefluisterd dat hij grote schulden had. Bij de ‘baron’? Gelukkig bleef de chauffeur van de vrachtwagen ongedeerd. M. bleef daarna weg uit de club. Ze was ook per direct ingetrokken bij haar vriendje, wat wel zo gemakkelijk was want ze snoof cocaïne bij het leven. Hij trouwens ook. Een paar maanden later brandde de nachtclub af en eindigde het uitgaansleven in Weesp weer om middernacht.

De nachtclub had alles wat een nachtelijke stapper kon bekoren. Er was een bar en een redelijke dansvloer. Daarnaast was er een afgeschermde zithoek waar ook een tafelvoetbalspel stond. Aan die tafel leerde ik het spelletje spelen en ik kan zonder te pochen zeggen dat ik tot de besten behoorde, wat ik voor mezelf in ‘The Spit’ heb kunnen bewijzen.

In 1981 waren we op familiebezoek in Levittown New York. Tijdens een stapavond met mijn neef kwamen we terecht in een leuke kroeg met de naam ‘The Spit’. Het was een gezellige kroeg, maar nog beter dan dat: er stond ook een tafelvoetbalspel en laat ik in dat spelletje nu behoorlijk vaardig zijn. Bij binnenkomst kreeg je, na het betalen van een entree en het tonen van je legitimatie, een kleine button uitgereikt, met daarop in schoonschrift het woord ‘SPIT’. Die moest je zichtbaar dragen, want daarmee bewees je dat je oud genoeg was om drank te kopen. Wij bestelden direct een grote kan bier. In de Verenigde Staten gaat bijna alles in het groot, dus bestelde je niet een kleintje pils (kennen ze trouwens niet), maar een grote kan bier. Het was trouwens ook de eerste keer dat ik Budweiser dronk en ik moet zeggen dat ik denk (ik heb het nooit geprobeerd) dat paardenpis lekkerder is.

Er stond een grote groep mensen rond het tafelvoetbalspel, waar een bijna bloedige strijd werd uitgevochten. Ze gingen tekeer als beesten en draaiden aan de stangen alsof de tafel die avond nog gesloopt moest worden. Waar wij in Weesp onszelf hadden aangeleerd subtiel tactisch, maar met een razendsnel eindschot te werk te gaan, deden ze in ‘The Spit’ een wedstrijdje wie het eerst de stangen kon verbuigen.

   “Dat is de kampioen,” zei mijn neef, wijzend naar de kampioen.

   “Van ‘The Spit’?” vroeg ik.

   “Nee,” antwoorde hij. “Van heel Levittown New York!”

Was die sloper de kampioen van deze grote voorstad van New York? Ongelooflijk!

Ik zag hoe de jongeman uiteindelijk het sloperscontract binnenhaalde en ergerde me direct al aan de arrogante blik in zijn ogen en dito houding. Zijn fans hadden zich om hem heen verzameld en dus kon ik even snel de tafel testen. Even checken of de stangen nog soepel heen en weer gingen en ronddraaiden. Tot mijn verbazing bleek dat het geval. Ze hadden hem nog niet gemold.

De kampioen zag hoe ik voorzichtig de stangen heen en weer bewoog en dacht waarschijnlijk: die sukkel ga ik een poot uitdraaien. Voordat ik de kans kreeg om te weigeren, had hij me al luidkeels uitgedaagd voor een potje en omdat hij blijkbaar de regels bepaalde, moest de verliezer een grote kan bier bestellen. Nu kostte een grote kan bier ongeveer tien dollar en dat lijkt niet erg duur, maar in 1981 bedroeg de wisselkoers drie gulden voor één dollar, dus zou de kan me bij verlies dertig gulden gaan kosten. Maar, ik kon niet weigeren. Vooral niet omdat hij op een walgelijk arrogante manier om me heen stapte, alsof hij zo uit de film ‘The Westside Story’ was gestapt. Ik had trouwens al gezien dat ik met een juiste opstelling de meeste van zijn doelpogingen kon verhinderen en kon toeslaan wanneer hij na zo’n idioot wilde actie uit balans en positie was.

Het ging zoals ik had verwacht. Ik wist zijn ballen te stoppen, bracht de onderschepte bal zo snel mogelijk naar de voorhoede en deed waar ik het beste in ben, namelijk de bal klaarleggen en in één vloeiende polsbeweging, duwend en een kwartslag draaiend uithalen voor een verwoestend schot. Ik won het gevecht met ruime cijfers, waarop hij me, gefrustreerd door het verlies, uitdaagde voor een ‘quitte of dubbel’. Daar was ik wel voor in. Om hem niet meteen te kijk te zetten had ik me ingehouden, maar nu zou ik geen genade meer tonen. Hij dacht door te hebben hoe ik mijn goals maakte en dacht dat hij nu wel de juiste opstelling had gevonden. Mis! Ik scoorde nu vanaf het middenveld en regelmatig ook vanuit de achterhoede. Iedere keer met dezelfde polsbeweging en hetzelfde verwoestende schot.

Na zijn tweede verlies draaide hij zich zonder mij te feliciteren om en beende weg, zijn fans in verbijstering achterlatend bij de nieuwe kampioen. Ik heb nog twee grote kannen bier van hem tegoed, maar weet dat ik die op mijn buik kan schrijven. Toch hield ik er een geweldig gevoel aan over. Zelfs voor de rest van mijn leven, want de prijs, die kleine button met het woordje ‘Spit’, heeft nu een prominente plek in huis gekregen. Het herinnert me er aan dat ik ooit de kampioen was van Levittown New York!

 

Posted in Ron | Tagged , | Leave a comment

Djago

De huis- tuin- en keuken woerd joeg haar door de tuin. Eerst over de volle lengte richting de grote poort en daarna weer terug tot aan onze Indische veranda. Vervolgens in en uit de vijver, onder de tuinbank door, door de kruidentuin en de rozentuin, en kreeg haar te pakken toen ze even uit moest hijgen en daarvoor, hoe dom kan je zijn als opgejaagd wild, het gazon had uitgekozen.

Hij gaf haar geen kans om op adem te komen. Beet zich vast in haar nek, drukte haar met de snavel tegen het gras en bracht haar daarmee in de juiste positie; althans daar leek het op. Opgewonden probeerde hij bij haar binnen te dringen, maar ze wist op miraculeuze wijze haar achterlijf van hem weg te draaien, er daarmee voor zorgend dat hij jammerlijk miste. Hij probeerde het nog een keer, maar weer wist ze weg te draaien. Gefrustreerd verstevigde hij zijn greep, duwde haar nog harder tegen de grond en probeerde haar tegen haar wil in te bevruchten. Tegen haar wil! Hoe noemen we dat ook alweer in de mensenwereld? Het leek wel alsof ik een glimlach rond de snavel en opluchting in de ogen zag van zijn toekijkende wijfje, die nu even niet het lijdend voorwerp was van zijn voorjaarsdriften en blij leek dat hij zijn interesse had verlegd naar de vreemde eend die argeloos de tuin in was gewaggeld.

Hij heeft zijn zaadje niet kunnen planten. De exotische woerd van de eend – ik weet dat het haar kerel is, want ze komen elk voorjaar bij ons foerageren en al jaren geleden zag ik dat hij anders was dan de anderen – moet vanuit de lucht gezien hebben dat zijn liefje in nood was en schoot haar te hulp, zich het laatste gedeelte van de vlucht als een havik op de aanrander stortend. De huis- tuin- en keuken woerd maakte geen schijn van kans. De exotische woerd is minstens een kop groter en zeker vierhonderd tot vijfhonderd gram zwaarder. Daarnaast ziet hij er veel cooler uit met zijn afwijkende kleuren en groene snavel, die trouwens ook langer is dan die van zijn opponent. Na wat tikken met de snavel te hebben uitgedeeld en ik meen zelfs een soort karatetrap te hebben gezien, joeg de exotische woerd zijn tegenstander de tuin uit en maakte, als een echte heer, het wijfje van de huis- tuin- en keuken woerd met wat gesnater duidelijk dat het beter was dat ook zij haar biezen pakte, omdat ze anders, hijzelf sloeg uit principe geen vrouwen, slaande ruzie zou krijgen met zijn geliefde, die net als hij overtuigd monogaam is en, op het nippertje de dans ontsprongen, een appeltje te schillen had met de slechts glimlachend toekijkende bitch. De bitch liet zich overtuigen en koos eieren voor haar geld.

Gek genoeg had ik tot voor kort niet uitgezocht tot welke groep eenden deze exotische reus behoort. Hij kwam en hij ging. Wat mij betreft was hij welkom want hij gedroeg zich keurig tegenover de andere gevleugelden in onze tuin en was zo te zien behoorlijk geïntegreerd, gezien zijn partnerkeuze voor de aantrekkelijke huis- tuin- en keuken eend.

Deze keer wilde ik het wel weten. Ik was benieuwd naar zijn roots, want ik had namelijk een strijder aan het werk gezien; een ‘djago’, zoals wij Indische Nederlanders zeggen. Hitty en ik zochten dus wat rond op Google en ik moet zeggen dat ik maar wat trots was toen we erachter kwamen dat de “djago” een Indische loopeend bleek te zijn.

© Ron Krancher 2017

Posted in Ron | Tagged , , | Leave a comment

De Slag in de Javazee

.

.

27 februari 1942

DE SLAG IN DE JAVAZEE

(voor mijn vader: Jan François Krancher)

 

Vijfenzeventig jaar geleden diende mijn vader op de torpedobootjager Hr.Ms. Kortenaer, welke was toegevoegd aan de Combined Striking Force; het eskader dat was samengesteld om de Japanse opmars richting Java te stuiten.

Direct vanaf het begin was het duidelijk dat de geallieerde vloot weinig kans zou maken tegen de Japanse overmacht en, naar later bleek, verrast werd door het bestaan van een nieuw dodelijk Japans precisiewapen, de lange-afstand-torpedo. Dit nieuwe type torpedo had een bereik van veertig kilometer (twintig kilometer verder reikend dan tot dan toe mogelijk was) en was door het ontbreken van een duidelijk bellenspoor voor de geallieerde schepen nauwelijks zichtbaar. Het stelde de Japanse slagschepen in staat om ver buiten het bereik van de kanonnen van de geallieerde vloot haar torpedo’s af te vuren en de geallieerden hadden daar op die afstand geen antwoord op. Wanneer een geallieerd schip het nauwelijks zichtbare spoor van een naderende lange-afstand-torpedo opmerkte, was dat vaak op het laatste moment en kon de ontwijkmanoeuvre dus ook pas op het laatste moment worden ingezet. Ondanks dit nieuwe wapen, het kortere bereik van het geallieerde scheepsgeschut ten opzichte van de vijand en het ontbreken van luchtsteun waardoor de manoeuvres van de tegenstander onbekend waren, gaf de commandant zeemacht voor Nederlands-Indië, viceadmiraal C.E.L. Helfrich aan Schout-bij-nacht K.W.F. (Karel) Doorman de opdracht om uit te varen en de strijd aan te gaan. Een onmogelijke opdracht, die vele levens zou kosten.

Mijn vader vertelde dat het stil was aan boord. De bemanning voerde zwijgend zijn taak uit bij het vaarklaar maken van het schip en leek er van doordrongen dat hen een zware strijd wachtte. Het geallieerde eskader, bestaande uit Nederlandse, Amerikaanse, Britse en Australische schepen, vertrok op 27 februari 1942 en zette kort voor 15:00 uur koers naar het noordwesten, richting de Javazee. Hr.Ms. Kortenaer volgde vanuit de haven van Soerabaja Hr.Ms. De Ruyter, het vlaggenschip van Schout-bij-nacht Doorman en voegde zich bij de rest van de op de rede klaarliggende vloot. Een half uur na het vertrek volgde al een Japanse luchtaanval, maar Schout-bij-nacht Doorman wist door het uitvoeren van uitwijkmanoeuvres te voorkomen dat er schepen werden geraakt. Na deze verrassingsaanval vroeg hij, wederom tevergeefs, luchtsteun aan.

Om 16:12 uur deed zich een eerste schotenwisseling voor tussen de vijand en de zware kruisers HMS Exeter en USS Houston, de enige geallieerde oorlogsschepen die op dat moment voldoende vuurbereik hadden. Niet veel later zou het gevaar van de lange-afstand-torpedo’s blijken. Tussen 16:33 uur en 16:52 uur lanceerden de Japanners 43 torpedo’s. Toen nog zonder resultaat, maar om ongeveer 17:00 uur werden de HMS Exeter en de USS Houston getroffen en om ongeveer 17:15 ontving mijn vaders schip, Hr.Ms. Kortenaer, een voltreffer. De torpedo drong midscheeps binnen; in de machinekamer. Er zijn er die ervan overtuigd zijn (en ik deel die mening) dat indien viceadmiraal Helfrich wel zijn toestemming had gegeven voor luchtsteun, men veel beter de Japanse vlootbewegingen had kunnen volgen en in het verlengde daarvan ook veel eerder de naderende lange-afstand-torpedo’s had kunnen waarnemen. Mijn vader vertelde dat Hr.Ms. Kortenaer op dat moment net langs de Amerikaanse kruiser USS Houston voer en onder de opvarenden van USS Houston gaat het verhaal gaat dat Hr.Ms. Kortenaer bewust de torpedo had opgevangen die anders de Amerikaanse kruiser midscheeps zou hebben getroffen (zie ook de documentaire ‘De Slag in de Javazee’ van Niek Koppen).

Na de dreun die volgde op de inslag van de torpedo voltrok de ondergang van Hr.Ms. Kortenaer zich razendsnel. Het schip werd in twee helften geslagen, waarbij het voorschip en het achterschip als torens in het water stonden. Mijn vader wist van het schip te komen en zag vanuit zijn positie in het water, tot zijn verbazing, de dokter bovenop de schroef zitten. Niet veel later zonk het achterschip. Mijn vader droeg gelukkig een zwemvest, want hij kon nauwelijks zwemmen. Hangend aan de zijkant van een reddingsvlot wist hij nog een tijd zijn, naar later bleek, dodelijk gewond geraakte vriend boven water te houden, maar heeft hem los moeten laten toen op een gegeven moment bleek dat hij was overleden.

Zoals gezegd werd Hr.Ms. Kortenaer ‘s middags rond kwart over vijf getorpedeerd en het duurde tot middernacht voordat mijn vader en zijn kameraden door HMS Encounter werden gered en naar Soerabaja gebracht. Velen van hen kwamen daarna terecht in Japanse gevangenschap, maar mijn vader werd nog op tijd op transport gezet naar Australië, alwaar hij op de kruiser Hr.Ms. Tromp werd gestationeerd. Door haar gedurfde acties (zie het boek ‘De Tromp en haar Trompers’) verwierf het schip tijdens de oorlog de bijnaam ‘Ghost Ship’ en werd na de Japanse capitulatie de bemanning voor haar daadkracht en betoonde moed beloond met de ‘Koninklijke Vermelding bij Dagorder’; een buitengewone dankbetuiging aan een oorlogsbodem en haar opvarenden, welke slechts drie marineschepen ten deel viel nl.: de kanonneerboten Hr.Ms. Flores en Hr.Ms. Soemba (met de verworven bijnaam ‘The Terrible Twins’) en de kruiser Hr.Ms. Tromp (met de verworven bijnaam ‘Ghost Ship’).

Aan geallieerde kant verloren drieëntwintighonderd zeelieden het leven, waaronder ruim negenhonderd Nederlanders. Van de overlevenden kwamen velen terecht in Japanse gevangenschap. Ze werden opgesloten in interneringskampen of werden tewerkgesteld bij de aanleg van de Birma- of de Pekanbaru spoorweg, waar de ontberingen groot waren en velen alsnog het leven lieten. Wat in de nieuwsverslagen rond de herdenkingen vaak onderbelicht wordt is de extreme wreedheid van de Japanse en Koreaanse bewakers. Meestal volstaat men met de algemene term ‘ontberingen’ en verhaalt men te weinig over de eenzaamheid die iemand overvalt wanneer te zijn weggevoerd van de familie, de vernederingen die men moest ondergaan, de klappen die men kreeg bij de minste geringste overtreding of regelmatig ook zonder reden, omdat de bewakers het gewoon leuk vonden om je te slaan en je urenlang in de brandende zon te laten staan. En zelden heeft een journalist het over de angst die iemand moet hebben gevoeld wanneer hij getuige moest zijn van onthoofdingen en waarbij de vraag opkwam: Ben ik de volgende?

Mijn vader wist naar Australië uit te wijken en werd zoals gezegd op Hr.Ms. Tromp geplaatst. Hij was kort daarvoor, na uren te hebben rondgedreven, uit zee gered en moest nu weer aan boord van een andere oorlogsbodem diezelfde Javazee op, om daar opnieuw de vijand te gaan bestrijden. Regelmatig werd het schip tijdens gevechten zwaar beschadigd en door de Japanners als vernietigd opgegeven. Toch wist de bemanning het kreupele schip iedere keer weer een veilige haven binnen te loodsen, alwaar het dan weer werd opgelapt om opnieuw de strijd in te worden gestuurd. De bemanning van Hr.Ms. Tromp is terecht onderscheiden voor haar daadkracht en betoonde moed.

Stel je voor, zoals in het geval van mijn vader, dat je een torpedering hebt overleefd en daarna keer op keer weer in zo’n zelfde situatie dreigt terecht te komen. Het herbeleven van de angstige momenten na de inslag van een kanonskogel of bij het naderen van een torpedo moet bijna ondragelijk zijn geweest. Het slagzij dat het zwaar beschadigde schip na een voltreffer maakte en de wanhopige poging om het kreupel geschoten schip naar een veilige haven te varen deed zich niet één keer voor maar meerdere keren, want na te zijn opgelapt werd het schip en zijn bemanning weer de strijd ingestuurd en herhaalden zich dezelfde momenten van angst. De inslagen. De slagzij. De wanhopige poging om het schip drijvende te houden en de vraag of vandaag je geluk op is.

Dit jaar is het dus vijfenzeventig jaar geleden dat mijn vader aan boord van Hr.Ms. Kortenaer deelnam aan ‘de Slag in de Javazee’. De zeeslag wordt jaarlijks herdacht door middel van een kranslegging. Dat gebeurt niet alleen in Nederland, maar ook in Australië. Alleen is de kranslegging daar een dag later, op de 28e, omdat op die datum een restant van de geallieerde vloot (de Australische kruiser HMAS Perth, de Amerikaanse kruiser USS Houston en de Nederlandse torpedobootjager Hr.Ms. Evertsen) onderschept werd door een overmacht aan vijandelijke schepen. Tijdens een hevig vuurgevecht werden de USS Houston en HMAS Perth tot zinken gebracht en zette de bemanning van Hr.Ms. Evertsen, die in verband met haar geringe vuurkracht een direct gevecht moest vermijden, het schip bewust aan de grond. Vervolgens werden op 1 maart, tijdens een poging om naar Colombo te ontsnappen, HMS Exeter en twee torpedoboten door de Japanse vloot en luchtmacht onderschept en tot zinken gebracht, daarmee het einde van de slag in de Javazee markerend.

De zeeslag die de HMAS Perth, USS Houston en Hr.Ms. Evertsen voerden met de Japanse invasievloot wordt in Australië herdacht als de ‘Battle of Sunda Strait’ en mijn neef Richard Mendelsohn (kleinzoon van mijn vaders oudste broer, Leonhard Wilhelm Krancher) zal bij die gelegenheid – in zijn functie als ‘Honorary Consul of the Netherlands for South Australia’ – namens Nederland een krans leggen.

Ikzelf wordt bijna dagelijks aan de ‘Slag in de Javazee’ herinnerd en voel me iedere keer weer trots om mijn vaders aandeel in de strijd tegen Japan. Aan de muur boven mijn bureau hangen de wapenschilden van de schepen waarop hij voer en de aan hem toegekende versierselen; naast de ingelijste oorkondes, waaronder de ‘Koninklijke Vermelding bij Dagorder’ op naam van Jan François Krancher.

Ron Krancher (27 februari 2017)

Posted in Ron | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

Benidorm

Is het waar of is het een mythe? Loopt hier alleen maar oud vel rond ondersteund door looprekjes en rollators of rondtoerend in scootmobiels, of is dat een beeld dat door de jaren heen is opgeroepen door jaloerse lieden die nog niet aan hun pensioen toe zijn en balen dat, in hun ogen, de straten gedomineerd worden door ultra-senioren in fel gekleurde te korte bloemetjes jurkjes en te strakke of juist veel te ruim zittende sportbroekjes?

Zittend aan ons tafeltje, op een terras aan de rand van het brede strand van Poniente, luisterden we naar het gezang van een aantal Spaanse mannen op leeftijd, die werden aangemoedigd door een grote groep schaars geklede, voornamelijk vrouwelijke pensionado’s. Het plezier straalde er vanaf. Het klonk goed. Soms een beetje vals, maar niemand die daar om leek te malen. Plezier alom. Iets verderop deed een andere grote groep van voornamelijk vrouwen mee met de ochtendgymnastiek en ook daar straalde het plezier vanaf. Gelukkig zat ik ver genoeg van deze overactievelingen vandaan om er niet moe van te worden, want per slot van rekening ben ik op werkvakantie en niet op bootcamp.

De hele dag horen we sirenes van af en aan rijdende ziekenwagens. Gebeuren hier dan zoveel ongelukken? We denken dat dat wel meevalt. Waarschijnlijker is het dat door de warmte de oudjes bij bosjes, als van het dak vallende musjes, omvallen. Verder zien we ook opvallend veel politiewagens heen en weer rijden langs de boulevard en iedere keer wanneer de hermandad langsrijdt zie je de hangouderen met een slakkengang uit elkaar stuiven om iets verderop weer te hergroeperen. Samen met de hangouderen verplaatsen zich ook de balletje-balletje criminelen, hun onuitputtelijke bron van inkomsten volgend. Deze lieden weten dat oudjes die doorkrijgen dat ze zijn getild, meestal nog maar weinig tijd rest om de nieuw verworven kennis aan hun groepsgenoten door te geven, want Magere Hein ligt al een tijdje op de loer en slaat doorgaans toe wanneer zo’n oudje zich enorm opwindt bij het besef te zijn getild. Soms wint de ziekenwagen het van Magere Hein, maar vaak ook niet. De balletje-balletje criminelen weten dat en gaan door met het leegplukken van nieuwe slachtoffers.

Een nieuw fenomeen is de tandem-scootmobiel. Aan het stuur en de gashendel zit dan meestal een man en daarachter een vrouw. Dezelfde rolverdeling die ze vermoedelijk al veertig tot vijftig jaar hadden en die ze tot de dood willen volhouden of op z’n minst totdat de accu van het duo-karretje leeg is. Met een beetje mazzel valt hij dan stil vlak voor een terrasje en kan de vrouw de schade beperken met het voor haar man halen van een pint bier. Totdat Hitty terugkwam met een glas witte wijn en een pint bier, vermaakte ik me kostelijk met het kijken naar de langstrekkende colonnes en had intussen al uitgedokterd waar ik in de toekomst het beste onze tandem-scootmobiel kon parkeren. Ik hoop wel dat ik tegen die tijd nog kwiek genoeg ben om alleen maar voor de show in zo’n karretje rond te toeren, om langs die weg aansluiting te vinden met mijn leeftijdgenoten en ik hoop ook dat ik tegen die tijd nog genoeg helder van geest ben om niet in de balletje-balletje truc te trappen, want zoveel geld hebben we nu ook weer niet gespaard. Het zal gênant zijn wanneer de bank onze scootmobiel in beslag laat nemen en Hitty dat hele eind zal moeten lopen om mijn pint bier te halen.

Het is geen mythe! Het is waar dat Benidorm met name in de winter het domein is van vooral senioren en ultra-senioren. Geef de dames en heren eens ongelijk. In Nederland en de rest van Noord-Europa is het dan koud, nat en donker en kijken de meeste ouderen wel uit om zich buiten de deur te wagen. Behalve natuurlijk op dinsdagochtend: marktdag. Dan blokkeren de voornamelijk vrouwelijke marktbezoekers elke doorgang en steken zonder op of om te kijken de straten over. Dat geldt niet alleen voor de oudjes hoor. Dinsdag is het ‘Lady’s Day’. Vrouwen van alle leeftijden voelen zich dan blijkbaar meer senang op de straat dan op de stoep en je ziet peuters balancerend als op het slappe koord over de stoepranden lopen, terwijl hun moeders gezellig met elkaar keuvelend vooruit zijn gelopen, alsof er op dinsdagochtend geen gevaren van de weg zijn te vrezen.

Enfin: Ik begrijp heel goed dat men voor het warmere klimaat in Benidorm kiest. Ik zie dan ook vooral blije gezichten, van zich prima vermakende mensen. Hier gaan de oudjes wel de straat op en flaneren ze over de boulevard om te zien en te worden gezien. Hier zitten ze op terrasjes al voor elf uur aan een wijntje of drinken een biertje, maar hier bewegen ze ook meer dan thuis en wie weet blijven ze daardoor ook gezonder; ik zou bijna zeggen: ‘Strak van lijf en leden’, maar aan die overdrijving waag ik me niet (aan alle andere, zoals je kon lezen, trouwens wel).

Ron Krancher

Posted in Ron | Tagged | Leave a comment

De Stippen

Het is alweer een aantal jaren geleden dat Hitty en ik, samen met ‘miti miti’ Rawan en de hond Rataplan, een tocht maakten door de woestijn in Rajastan. We waren vanuit Jaisalmer vertrokken en de tocht zou vier dagen duren (zie ook: Rataplan p.211 in Krancher dot Com; gebundelde columns).

Het werden vier geweldige dagen, waarin we leerden hoe we de dromedarissen moesten zadelen, berijden, afzadelen en kluisteren, en de onvergetelijke ervaring hadden om op de rug van zo’n dier in volle vaart door de woestijn te galopperen, wat een heel andere ervaring is dan een volle galop op een paardenrug over de hei bij Bussum.

Bij vier dagen horen natuurlijk ook drie nachten. We sliepen onder kamelenharendekens en dat was hard nodig want de nachten zijn er bitterkoud. Ondanks de dikke dekens kropen we dicht tegen elkaar aan. Uhh… Hitty en ik dan. ‘Miti miti’ Rawan en Rataplan lagen zo’n tien meter van ons vandaan en ik denk niet dat die twee elkaar warm hielden; althans niet die nacht, want pas later werden ze dikke vrienden.

De tweede nacht zagen we de stippen. We keken naar de sterrenhemel met daarbij vele vallende sterren en zagen hoe een helderwitte stip zich razendsnel van rechts naar links verplaatste.

“Een vliegtuig,” zei ik tegen Hitty, omdat ik enige expertise dacht te hebben na het volgen van de cursus ‘vliegbrevet A’, die ik trouwens zonder het te behalen certificaat heb afgesloten.

“Denk je?” vroeg ze en ik knikte, overtuigd van mijn gelijk omdat volgens mij bij een zich op zo’n hoogte verplaatsend vliegtuig de boordlichten vanaf de grond niet meer zichtbaar zijn.

“Ja,” zei ik, omdat ik vermoedde dat ze ondanks dat we vijf centimeters van elkaar aflagen in het donker mijn knik niet had gezien.

Samen volgden we de reis van de stip totdat het met grote snelheid een andere stip leek te rammen, scherp afboog en na het passeren van de andere stip weer op zijn oude koers terugkeerde. Het afbuigen, passeren en weer op de oude koers terugkeren, kostte de stip niet meer dan drie á vier seconden. In de column ‘Rataplan’ schreef ik dat hij daarna als een vallende ster tot ons kwam, maar achteraf ben ik daar niet zo zeker meer van. Ja, er viel een ster en nee, ik weet niet zeker of dat ‘de stip’ was, omdat op dat moment de hemel bezaaid was met vallende sterren. Het kan daarom heel goed mogelijk zijn dat intergalactische reizigers in ‘de stip’ zaten, die na een ‘narrow escape’ ongeschonden hun reis naar de in een andere melkweg liggende thuisbasis konden vervolgen. Het is mogelijk! En daarom rest dus de vraag, en niet alleen bij mij maar ongetwijfeld ook bij veel van mijn lezers: “Zag ik ze vliegen?”

2016 © Ronald E. Krancher

Posted in Ron | Tagged | Leave a comment

Op de markt in SoE

Het zijn vaak niet zulke grote ongemakken die we tijdens het reizen ondervinden en ze zijn doorgaans ook eenvoudig op te lossen. In SoE, een mini-stadje dat pakweg op honderd kilometer afstand ligt van Kupang, de hoofdstad van West-Timor hadden we zo’n ongemak.

We zaten daar in een verrassend goed hotel dat, zo leek het, groter was dan het stadje. Het hotel ademde de sfeer van Tempo Dulu, het Nederlands-Indië van mijn ouders en grootouders. In de lobby en in het restaurant klonk uit de speakers “Droog je tranen maar nona manis”, “Koleh koleh” en de rest van het spectrum van de muziek die de oudere Indo’s senang doet voelen.
In het restaurant lagen op de tafels oranje tafelkleden met een goudkleurig randje en voorzien van witte rushes, en de zittingen en rugleuningen van de stoelen waren voorzien van oranje hoezen met goudkleurige sjerpen die op de rug van de leuning bijeen werden gehouden met een grote strik.

Op de tafels stonden bloempotjes met roze amandelbloesem. Van plastic, dat dan weer wel. Het voelde wel erg vertrouwd, want het deed me aan mijn moeder denken die ook voornamelijk plastic bloemen in huis had, omdat bij haar echte bloemen door gebrek aan water binnen de kortste keren dood gingen.

Hoe dan ook was het een leuk hotel, maar wel een hotel met nog wat meer eigenaardigheden. Zo was de slaapkamer gigantisch en leek meer op een appartement zonder keukentje. De wc en douche bevonden zich in gescheiden ruimtes naast elkaar. Links de wc en rechts de douche, met rechts de lichtknop van de wc en links de lichtknop van de douche. Heel verwarrend, maar oké het moest maar. Het meest eigenaardig was het dat het slot van de wc-deur aan de buitenkant zat en dus ook alleen maar van buitenaf op slot kon worden geschoven. Curieus!

De badkamer was zoals we het kennen van de goedkope losmen. Twee of drie lange spijkers in de deur om je spullen aan op te hangen, een fonteintje waar je na het tandenpoetsen in spuwt en waarna je je spuug een meter verder bellenblazend weer uit een gat in de muur ziet komen, waarna het zijn weg vervolgt via de muurtegeltjes richting de badkamervloer en vandaar naar het roostertje van de afvoer. Het viel me op dat er een roostertje zat en niet zoals zo vaak het geval was slechts een open gat dat als in- en uitgang dient voor kakkerlakken. Ook dit fonteintje miste zoals zo vaak het geval is een spiegel, maar wijs geworden door het vele bloedverlies na het blind scheren reist er tegenwoordig een spiegeltje met me mee.

O ja, het ongemak. In SoE bleek mijn spiegeltje te zijn gebroken. Ik had me al een paar dagen niet geschoren en had dus niet gemerkt dat het waarschijnlijk gebroken was tijdens de vlucht van Sumba naar Timor. We vlogen met een Fokker 50 van, naar ik meen, de inmiddels bankroet verklaarde Batavia Air en waarschijnlijk waren ze niet al te zachtzinnig omgesprongen met de bagage of wie weet waren de tassen door het ruim geslingerd tijdens de ruwe vlucht en dito landing.
De spiegel was in tientallen stukken gebroken en dus moesten we op zoek naar een nieuwe. Volgens de mevrouw die de lobby beheert, de was doet en ons het eten serveerde, was het moeilijk om in SoE een kleine spiegel te kopen, maar volgens haar maakten we de meeste kans op de markt.

‘Wat is het Indonesische woord voor spiegel?’ vroeg ik aan Hitty.

‘Geen idee,’ antwoordde ze.

Tien minuten later stonden we voor het kraampje op de markt waar volgens een kippenboer en zijn buurman de messenslijper, spiegeltjes en kraaltjes werden verkocht. De kraaltjes en ander naaigerei zagen we liggen, maar geen spiegeltjes.
Geduldig wachtte de jonge vrouw totdat we onze order plaatsten. We probeerden het met hints, hielden onze hand op en keken in onze handpalm alsof we in een spiegel keken. De ogen van de verkoopster stonden mistig. We probeerden het opnieuw en weer zagen we de mist. Ze leek het maar niet te snappen, haalde haar schouders op en hielp intussen een andere klant, ons even alleen latend met onze handpalmen. Bij onze volgende poging zagen we plotseling dat herkenning de mist verdreef.

‘Ah!’ riep ze in het Indonesisch. ‘Ah, u bedoelt kapper! Nee, die is hier niet.’

Voordat we konden reageren begon ze omstandig uit te leggen waar we een kapper konden vinden. Met onze armen zwaaiend en nee schuddend kregen we haar aandacht weer gericht op onze handpalmen, waarbij Hitty, in haar handpalm kijkend deed alsof ze haar lippen stiftte. Aandachtig volgde de jonge vrouw Hitty’s handelingen, tot en met het op elkaar drukken van de zogenaamd gestifte lippen.

‘Ah!’ riep ze weer in het Indonesisch en je zag haar ogen oplichten. ‘Ah… lipstick!’

2016 © Ronald E. Krancher

Posted in Ron | Tagged , | Leave a comment