De Fanfare (2/2)

(vervolg)

Het was een net zo schokkend moment als dat met de jongen in Calcutta, die spiernaakt en broodmager, tussen het voortrazende verkeer door naar het midden van de weg liep, om daar, de door iemand verloren en door het verkeer gedeeltelijk plat gereden rijst van de weg te schrapen. Het leek alsof het hem niets uitmaakte dat hij doodgereden kon worden. Misschien had de honger hem al verdoofd. Misschien vond hij de dood minder zwaar dan het leven, net zoals de stervende man in New Delhi, die we eerder  tijdens de reis hadden zien liggen. Natuurlijk wordt je in India voortdurend geconfronteerd met armoede en de dood; met lijden en verdriet; met ongelijkheid en onverschilligheid; met hooghartigheid en  asociaal gedrag. Je wordt er, louter om niet iedere dag boos en gefrustreerd te raken, tot op zekere hoogte immuun voor. Maar sommige scènes blijven voor altijd hangen.

Het terrein voor het ‘Rode Fort’ in New Delhi stond vol met autobussen. Honderden afgedankte autobussen. Ze stonden kris-kras door elkaar. Het lijkt alsof ze tijdens hun laatste rit nog net het terrein hebben weten te bereiken. Hele families leven in, op en rond de bussen. We liepen er tussendoor. Het stonk er naar stront. Op het dak van een bus probeerden enkele vrouwen een kookstel aan te wapperen. Aan de voorkant van de bus, vlak langs de weg, lag een man in het gras. Z’n lichaam was bezaaid met vliegen die zich volvraten in de open wonden. Hij haalde nauwelijks adem en reageerde niet op de beesten die over z’n lichaam kropen. Niemand schonk aandacht aan hem; keurde hem zelfs maar een blik waardig.

Iets verderop, bij het ‘Rode Fort‘ speelde een fanfare. Men vertelde ons dat er een hoge officier werd verwacht. Een aantal rijen lege stoelen stond klaar voor de gasten. De opdringende menigte werd met rotan stokken terug gemept. Ze leken het gelaten te accepteren. Het leek alsof ze het heel normaal vonden en waarschijnlijk is dat ook zo. Na elke afranseling drong de mensenmassa weer op. Na een paar keer te zijn afgeranseld, verhuisde de voorste rij één a twee rijen naar achteren en herhaalde het proces zich, maar nu met vers vlees. Wanneer het verse vlees genoeg had van de klappen, kwam de volgende rij zich melden. Het leek of hun nieuwsgierigheid groter was dan de pijn en de vernedering van de afranseling. De ‘meppers’ leken gewoon hun werk te doen. Uiterlijk onbewogen hanteerden ze de rotan.

Wij werden met rust gelaten. We mochten zelfs lopen waar we wilden. Ik denk zelfs dat ze ons niet van de stoelen zouden hebben gestuurd, waar we, elkaar schalks aankijkend, op waren gaan zitten. De ‘meppers’ wisten precies wie ze wel en wie ze niet mochten afranselen.

Onderwijl speelde de fanfare aan één stuk door, begeleid door het geluid van zwiepend rotan. De menigte bleef opdringen. De ‘meppers’ bleven meppen. De rotan zweep bleef zwiepen. De fanfare speelde.

Luisterend naar de klanken van de fanfare en het ketsende geluid van rotan op lichamen, moest ik aan de man denken, die honderd meter verderop in het gras lag. Bedekt met honderden, misschien wel duizenden vliegen. Als achteloos weggeworpen vuilnis. Waarschijnlijk stervende.

En de fanfare speelde.

Ron Krancher

Copyright © byRonald E. Krancher (Scribent/Anthropologist/Non-Western Sociologist) Weesp 2004