Het ‘tassenvrouwtje’

Over haar schouders en op haar rug droeg ze haar tassen. Grote, ronde tassen; bedrukt met bloemmotieven. Simpele tassen. Slechts een lange ritsluiting aan de bovenkant. Haar leeftijd is moeilijk te schatten. Zoals zoveel Aziaten kan ze net zo goed dertig als veertig jaar oud zijn. Ze loopt door de straten van Yogyakarta om haar tassen aan de man te brengen. Ze vraagt er niet veel voor. Toeristen die hun pas aangeschafte souvenirs niet meer in de koffers kwijt kunnen, kopen bij haar zo’n handige tas. Het is goede handel.

Regelmatig kwamen we haar tegen. Ze heeft haar eigen wijk. Met haar gulle lach palmde ze de toeristen in. Ook bij ons probeerde ze haar handel te slijten. Ze nam er de tijd voor. Dag in, dag uit… steeds weer probeerde ze ons een tas te verkopen. Als je met een rugzak door Indonesië reist kan je extra ballast, zoals zo’n tas, niet gebruiken. We legden haar dat uit. “Tida apa apa!” zei ze dan. “Geeft niet”. Ze werd niet boos op ons. Ze begreep het. Maar toch, met een schalkse lach, probeerde ze ons steeds opnieuw uit.

Op de gekste tijden van de dag kwamen we haar tegen. Of het nu ‘s ochtends of ‘s avonds was, steeds lachte ze vrolijk en probeerde haar waar aan de man te brengen. Ze vroeg niet eens zoveel meer dan de fabricagekosten. De meeste toeristen wisten toch niet hoe ze moesten afdingen en betaalden daarom uiteindelijk toch wel de prijs die ze er voor wilde hebben. Vaak zelfs meer dan dat. Als we haar dan ‘s avonds tegen kwamen vroegen we haar hoe de dag was geweest. “Good business,” antwoordde ze dan. Lachend en zwaaiend vertrok ze dan. Altijd nog eenmaal omdraaiend en met die mooie, volle wenkbrauwen optrekkend vragend: “You need a bag?”

Ongeveer vijf jaar later waren we weer in Yogyakarta. We verblijven daar altijd op dezelfde plek, bij Rose Guesthouse. Lekker gemakkelijk en lekker vertrouwd. Rose, eigenlijk heet ze Rini, onthaalt ons altijd hartelijk. De prijzen die ze ons rekent zijn schappelijk en we worden altijd bij haar en haar gezin uitgenodigd om de avond door te brengen. Het is fijn, na een dag door Yogya zwerven, een duik in het zwembad te nemen en daarna nog een Bir Bintang op het terras te nuttigen. Er is altijd die blije blik van herkenning, wanneer we er plotseling weer opduiken.

Uitgebreid dineren kan je in het hotel niet, dus zoeken we altijd een restaurantje in de buurt op. Er zijn er genoeg. Het eten is er over het algemeen goed en goedkoop. Zo kwamen we bij de ‘Boomhut’ terecht. Het restaurant is door ons zo gedoopt omdat de tweede etage rond een boom is opgebouwd. Het ligt lekker dicht bij Rose Guesthouse. Om precies te zijn een steeg verder. Na het eten konden we dus snel terug zijn in het hotel, voor een duik in het zwembad.

We zaten dus op de knusse patio van de ‘Boomhut’. We hadden net een uitgebreide rijstmaaltijd besteld en wachtend op het eten dronk ik een koude Bintang.  Hitty en Ish dronken een sapje terwijl we de dag doornamen. We hadden voor m’n broertje Jef en zijn vrouw  Joke een paar prachtige beelden gekocht. Het kostte ons drie dagen, voordat ze de prijs accepteerden die we voor het eerste beeld wilden betalen. Dat was al een mooi resultaat. Het tweede beeld ging een stuk moeilijker. Na een week onderhandelen, hadden we voor hen een uniek, moeilijk te vinden beeld van ‘De Kratonwachter’ aangeschaft. Voor tawarren (afdingen) moet je nu eenmaal de tijd nemen. Des te leuker is het als je een uniek beeld, voor een mooie prijs weet te bemachtigen.

Een vrouw liep de patio op. Over haar schouders en op haar rug droeg ze tassen. Grote ronde tassen. Simpele tassen, met aan de bovenkant een lange ritsluiting. Het was een oud vrouwtje. Moe. Afhangende schouders. Gebogen hoofd. Ze ging elke tafel langs. Niemand kocht. Toen ze bij onze tafel kwam vroeg ze automatisch: “You want to buy a bag?” Toen ze ons herkende kwam weer die glimlach om haar mond. De lach van herkenning, zoals je die krijgt wanneer je goede vrienden ontmoet. Ze voelde ook aan als een goede vriendin. Per slot van rekening had ze zich vele jaren geleden over Aïsha ontfermd, toen die de weg was kwijt geraakt. Ze bracht Ish toen bij ons terug. Het kostte haar toen tijd en dus ook geld, maar ze had dat er voor over gehad. We kenden elkaar. Voor mensen die je mag, doe je iets extra’s.

Ze was zó oud geworden. In vier jaar tijd. Ze had een matte blik in haar ogen. Zo’n berustende blik. Ze was ook magerder geworden. Ze had ingevallen wangen. Het leek me meer van de zorgen dan van de honger. We nodigden haar niet uit om bij ons te komen zitten. Dat leek ons niet gepast. Niet, dat we dat niet graag hadden gewild, maar meer omdat we haar daarmee zouden dwingen om de uitnodiging te accepteren. Die tijd van ontspanning kon ze zich, leek ons, niet permitteren. Ze moest verkopen. Rondkomen!

We hadden de nieuwe winkeltjes ook wel gezien. Daar was van alles te koop. Vooral tassen! Te koop tegen vaste prijzen. Daar houden toeristen van. Ze houden niet van dat tijd consumerende afdingen. Daar hebben ze geen zin in. De tijd is afgemeten. Indonesië binnen springen; twee dagen hier, een dagje daar en daarna in een rechte lijn richting Bali.

Daar stond ze met haar tassen. “Zoek dan toch andere dingen om te verkopen,” dacht ik. Maar, ik kon niet zo snel op handelswaar komen die nog niet in de winkeltjes was beland. Bijna alles is wel tegen vastgestelde prijzen te koop. Een stuk gemakkelijker voor de toeristen, maar een stuk moeilijker voor de straathandelaren. Dus ook voor haar. Ik vroeg haar wat de tassen moesten kosten. Nog nooit hadden we iets van haar gekocht en toch was ze altijd zo lief tegen ons. De beelden die we voor m’n broertje hadden gekocht moesten toch ergens in worden vervoerd. We legden haar uit dat één van de beelden – de Kratonwachter – heel zwaar was en vroegen haar om voor ons een sterke tas uit te zoeken. Nadat ze een sterke tas had uitgezocht noemde ze haar prijs. Een eerlijke prijs. We kochten twee tassen van haar en betaalden de prijs die ze vroeg. Afdingen kwam niet eens bij ons op.

Het was bijna avond en ze vertelde dat het haar eerste verkoop van de dag was. Zwaaiend en lachend vertrok ze weer. Verderop in de straat sprak ze een jongen en een meisje aan. Ze kochten niets.

Ron Krancher

Copyright © by Ronald E. Krancher (Scribent/Anthropologist/Non-Western Sociologist) Weesp 2000