Iwineren

Hij had een mager, spits kopje op een veel te dun nekje en was klein van stuk. Kleiner dan de gemiddelde Indonesiër. Een klein mannetje met schichtige ogen, met op z’n rechter wang een dikke wrat. Er stak een haar uit. Eén haar. Eén lange zwarte haar. Door de anderen werd hij duidelijk niet voor vol aangezien. De anderen zijn z’n zogenaamde vrienden, de andere randfiguren die eind jaren tachtig dagelijks in Hostel Borneo rondhingen. Kleine dealers, pooiers en toeristenjagers, op zoek naar een snel verdiende dollar.  Iwin konden we niet plaatsen. Hij paste in geen van de profielen. Hij was slechts zo’n onbeduidend mannetje dat altijd bij zo’n groep rondhing.

Met gebogen hoofd kwam hij bij ons staan; z’n handen voor de borst gevouwen. Ik weet niet of je ooit de tv-serie ‘Bring ‘em back alive’ hebt gezien, met Bruce Boxleitner als grootwild jager? De serie speelde zich af in het Singapore rond de jaren 30, van de vorige eeuw. In de serie speelde een mager, glad en gluiperig mannetje, met een rode fez op z’n kopje. Denk de fez weg, plak een wrat op de rechter wang en je ziet Iwin voor je.

Hij kwam dus bij ons staan. Met z’n handen gevouwen voor de borst zei hij op zangerige toon: “Maaf Pak! (Neem me niet kwalijk, meneer!). Nama saya, Iwin (Ik heet Iwin).” Wij stelden ons ook voor en nodigden hem uit om bij ons te komen zitten. Hij nam plaats en we boden hem iets te drinken aan. Hij was ons al eerder opgevallen. We hadden de grimassen gezien die de anderen achter zijn rug om maakten. Omdat we nu eenmaal een zwak hebben voor ‘underdogs’ namen we de tijd voor hem. Hij babbelde honderd uit. Met dat kleine magere kopje heen en weer slingerend op dat dunne nekje. Ik merkte dat hij me begon te irriteren. Hij was veel te kruiperig. Hij gebruikte slijmerige, zangerige teksten. Hij had ook van die schichtige ogen die links en rechts priemden. Hitty, Ish en ik besloten dit gedrag vanaf dat moment ‘Iwineren’ te noemen. Dus je kreeg dan zinnen in de trant van: “Tjonge jonge, wat was die aan het iwineren!”

De volgende dag was hij er weer. Dicht bij ons. De dag daarop weer. En de dag dáárop. Waar we ook gingen zitten, kwam Iwin zitten. Naast ons. Dicht tegen ons aan. Babbelend, met dat kleine magere kopje heen en weer slingerend op dat dunne nekje. Hitty keek me vertwijfeld aan. “Ja, ik weet het,” seinde ik naar haar. “Hij is strontvervelend!” Met grote ogen naar me terugseinend probeerde ze me iets duidelijk te maken. Toen de boodschap niet over kwam boog ze zich naar me toe en zei: “Kijk eens voorzichtig onder tafel.” Onderuit hangend keek ik onder tafel, af en toe links en rechts met de andere tafelgenoten pratend. Ik zag dat Iwin z’n schoenen had uitgetrokken en met z’n kousenvoeten lange halen langs het been van Hitty maakte. Het gluipertje was aan het ‘voetje vrijen’. Iedere keer wanneer Hitty haar been verschoof volgde de kousenvoet. Hij ging gewoon door, met brutale lange halen.

Op Sumatra hadden we iets dergelijks ook al meegemaakt. In een bus maakten we kennis met een Indonesiër van middelbare leeftijd. Om precies te zijn legde híj contact met Hitty, die in de stoel naast hem zat. Het werd verder een gezellige rit en Hitty had met hem een interessant gesprek over religie. Hij was een overtuigd moslim en legde haar zijn visie daarover uit. Toen we uitstapten, stapte hij ook uit. Ten afscheid gaf hij eerst mij een hand en daarna Hitty. Bij het afscheid nemen van Hitty begon hij verschrikkelijk te zweten en hield opvallend lang Hitty’s hand vast, onderwijl, na haar op zangerige en lijzige toon te hebben bedankt voor het leuke gesprek, vreemde klanken voortbrengend. Haar hand vasthoudend deed hij: “hèh… hèh… hèh. Op een gegeven moment wist Hitty haar hand los te wurmen, zei doei op z’n Bahasa Indonesisch en liep weg. Toen we al een eindje weg waren zei ze: “Weet je dat die viezerik met z’n middelvinger m’n handpalm aan het strelen was? Hij kwam zowat klaar.”

“Waarom heb je verdomme niets gezegd,” vroeg ik haar. Ze antwoordde: “Opdat jij niet in een Indonesische gevangenis terecht zou komen voor het in elkaar meppen van een moezelman. Dan heeft die gladjanus nog meer plezier.”

Iwin maakte met z’n kousenvoet dus werk van Hitty’s been. “Je houdt je rustig hoor,” beet Hitty me toe. “Je gaat hier niet staan rammen!” Ik boog me voorover naar Iwin. Heel kalm vertelde ik hem dat ik met hem over zaken wilde praten. Op mijn kamer. “Loop met me mee,” vroeg ik hem. Het duurde even voordat hij opstond. Uit z’n geschuif kon ik opmaken dat hij z’n schoenen aantrok. Met een arrogante blik naar de rest volgde hij me naar onze kamer. Zo’n blik van: “Dag sukkels, Ron en ik hebben belangrijkere dingen te doen.”

Ik deed de deur achter hem dicht. De kamers liggen naast de zitruimte en ik weet zeker dat iedereen z’n klagerig gekerm moet hebben gehoord. Ik pakte hem meteen bij dat dunne strotje. Hij was met z’n één meter zestig uiteraard geen partij voor me. Uit de blik in z’n ogen bleek dat hij direct wist waarom ik hem bij de strot had. Ik sleurde hem aan dat dunne nekje, dat magere kopje schuin opzij hangend alsof hij aan een galg hing, de kamer door. Aan de andere kant van de kamer plantte ik hem tegen de muur en vertelde hem dat ik z’n irritante kop niet meer in de buurt van Hostel Borneo wilde zien.

Ik was woedend!

Ik was vooral woedend omdat Hitty en ik, uit protest tegen de naar hem toe spottende en neerbuigende houding van de rest, zijn kant hadden gekozen. Woedend omdat ik, tegen het groeiende gevoel van irritatie in, hem aandacht was blijven geven. En, ik was woedend omdat hij mijn ‘vriendschap’ had misbruikt. De ondankbare hond! Ik sleurde het stuk ongeluk weer terug richting de deur, opende die en kwakte hem de zitruimte in, daarmee bewijzend ‘that pigs can fly’. Hij krabbelde overeind en rende de straat op… en uit. De anderen keken me verbaasd aan. Nadat ik de situatie had uitgelegd draaiden ze zich grinnikend weer om.

Uhin nam me even apart. Ik trilde nog na van ingehouden woede en tegelijk ook van blijdschap dat ik het ratje niet z’n magere nekje had gebroken. In Nederland wordt dat al niet gewaardeerd, laat staan in Indonesië. In z’n kamer schonk Uhin me een glas whisky in. Hij grijnsde en zei: “To much Ron… to much!”

Z’n hoofd schuddend zei hij verder: “Never loose face!”

Ron Krancher

Copyright © by Ronald E. Krancher (Scribent/Anthropologist/Sociologist of Non-Western Societies) Weesp 1998