Het Marnixbad

Als een motorisch gestoorde piranha zwom ik er mijn baantjes. Iedereen die ooit in de jaren vijftig van de vorige eeuw zwemles heeft gehad in het Marnixbad in Amsterdam, weet waaraan dat lag. Zij deden dat waarschijnlijk ook. Tijdens dat uurtje zwemles per week zag je veel kinderen vol angst en beven aan de rand van het bad staan en op het teken van de badmeester al dan niet in het water springen. Altijd bleven er wel een paar kinderen staan, maar die weigeraars maakten natuurlijk geen enkele kans. Met een paar grote stappen was de badmeester bij ons en kwakte ons het water in. Ja, ik behoorde tot de weigeraars. Tjonge, wat was het water in het Marnixbad koud. Echt koud. Veel te koud voor een kind van de tropen. Toegegeven, ik ben in Amsterdam geboren en had nog nooit een stap buiten Nederland gezet, maar mijn ouders kwamen uit Batavia (ze weigerden steevast om het Jakarta te noemen) en ik zag er als kind al uit als een Indo. En als je er uitziet als een Indo, dan ben je naar mijn mening een kind van de tropen en hoor je je als zodanig te gedragen.

Ik had dus een hekel aan kou en dus ook aan het ijskoude water van het Marnixbad. Twee keer sprong ik er vrijwillig in. De eerste keer was toen mijn vriendje P. Jansen (nou ja vriendje; onze ouders konden goed met elkaar opschieten) weer eens enorm liep te klieren en ik hem een dreun verkocht. Terwijl hij nog na trilde keek hij om zich heen en schuifelde vliegensvlug, als een soort Mr. Bean, op z’n blote voeten over de natte tegels naar de bankjes die tegen de wand stonden. Daar pakte hij een kurken zwemvest met langs de randen een dik nylon koord en schuifelde over de natte tegels weer mijn kant op; zwaaiend met zijn ‘wapen’. Dat was het moment om vrijwillig in het ijskoude water te springen. Vanuit het water keek ik toe hoe de badmeester hem stevig in de nek greep en door elkaar schudde. De druppels vlogen in het rond, zoals gebruikelijk bij een hond die net een sloot is over gezwommen, op de kant is geklauterd en zich daarna droog schudt.

De tweede keer was toen ik mijn examen moest doen. Toen wilde ik wel het water in. “Kom op Ron, dit is de laatste keer,” hield ik mezelf voor en sprong zonder morren met de anderen mee. Ik voelde toen geen kou. Het was voorbij voordat ik er erg in had. Ik vloog door het water naar de andere kant. Ik geloof zelfs dat we eerst nog een minuut (misschien wel twee) moesten watertrappelen, maar dat is me niet echt bijgebleven. Terwijl ik aan de overkant vanuit het water op de kant kroop, zong het in mijn hoofd: “Och wat fijn. Dit was gelukkig de laatste keer in dit koude kutbad.” Ik geloof dat zelfs P. Jansen toen zijn diploma heeft gehaald, maar zeker weten doe ik dat niet. Ik weet wel dat hij ergens een diploma in heeft gehaald en aangezien hij op school nooit goed heeft kunnen meekomen, moet het wel zijn zwemdiploma zijn geweest. Ik heb hem trouwens al lang niet meer gezien. Zo gaat dat nu eenmaal. Levenswegen lopen uiteen. Maar als ik hem ooit nog eens tegenkom, dan zal ik hem dat zeker vragen.

Ron Krancher

Copyright © by Ronald E. Krancher (scribent/antropoloog/niet-westers socioloog) Weesp 11 september 2011