Oom Alex

Mijn oom Alex is dood. Z’n adem ging van zwaar naar licht en daarna naar niets.

Hij werd zevenentachtig jaar. Net geen achtentachtig. Dat had een stuk mooier geklonken. Maar ja, oom Alex probeerde altijd alles net even anders te doen. Dus ook nu weer. Geen achtentachtig, maar zevenentachtig. Van zwaar naar licht naar niets.

Mijn schoonvader ging ook op die manier van hier naar daar. Uit als een nachtkaars. Geen beweging meer waar te nemen. Wel een warm voorhoofd, waar je nog een kus op kon drukken, maar geen beweging meer in het lichaam. Ik kon oom Alex, na z’n laatste zucht, nog een kus op z’n warme voorhoofd geven. Dat voelde fantastisch.

Pa ging toen ik weg was. Ik had hem met Hitty naar het ziekenhuis begeleid. Hartinfarct. In het ziekenhuis lag hij op een brancardachtig-ziekenhuisbed, in een hel verlichte ruimte. “Hoi pap. Ze gaan u even nakijken. Kijken wat er aan de hand is. Maar, het komt wel goed hoor.”

We hebben rond z’n bed gestaan en het gebed voor de zieken gebeden (Katholiek, toch!). Het gebed voor de stervenden zou hij niet hebben gewaardeerd. Ik denk dat hij werkelijk dacht dat hij het zou redden. Alhoewel? Hij vertelde me waar ik het voer voor de duiven en de witte rijstvogels kon vinden. Ik beloofde hem om voor de vogels te zorgen. En ik deed het ook. Ik snap wel waarom hij het aan mij vroeg. Ik was degene die drie keer per week bij hem op de achterplaats zat en met hem keuvelde over vroeger, vandaag en morgen. De keuze lag dus voor de hand.

Geen voorkeursbehandeling meer. Geen dubbelgebakken ei voor Ron. Geen saté voor Ron, waar anderen macaroni panggang kregen. Geen speciaal voor Ron in huis gehaalde Maltki.
Ik zat ongerust thuis terwijl hij in het ziekenhuis er tussenuit piepte. Plotseling weg. Terwijl hij thuis op de bank lag moest ik hem zelfs overhalen om zich in het ziekenhuis te laten onderzoeken. “Dit is niet goed, pap. Laat u nou onderzoeken. Het kan nooit kwaad.” Ik heb z’n laatste zucht niet mogen horen.

Marion waarschuwde me dat het heel slecht ging met oom. Ik liet alles verder vallen en ging naar Soesterberg. Ik stond daar tussen zijn vrouw en kinderen. Wat deed ik daar? Ik was er niet heen gegaan om de familie te steunen. Dat konden ze zelf best wel zonder mij. Ik dacht niet, ik deed. Ik wilde niet dat oom er tussenuit piepte zonder mij. Het is gek. Ik had me al met z’n dood verzoend. We gingen voor twee maanden naar Indonesië en ik had niet verwacht hem nog levend terug te zien. We namen afscheid voor ons vertrek en hij zwaaide ons uit. Vanuit z’n bed. Een zwakke heen en weer beweging met z’n hand. Wel hoog opgestoken. Een paar keer heen en weer.

Toen ik aankwam ademde hij zwaar. Rochelend. Mijn schoonvader deed dat ook. En net als bij m’n schoonvader werd de opmerking geplaatst van: “Goh pap, je lijkt wel een koffiemolen.” Ik weet zeker dat oom inwendig gelachen heeft om die opmerking. Dat was zijn humor. Ik mocht z’n laatste adem zien. En, ik mocht z’n nog warme voorhoofd kussen. Hij was lief.

Marion en tante nodigden me uit om te spreken op z’n crematie. Er was weinig tijd. Liefst, als het mogelijk was, in twee minuten. Dat was moeilijk genoeg, want je wilt zoveel zeggen en vertellen. Ik vond dat ik het volgende wilde zeggen:

“Lieve tante en oom,

Als kind had ik wel eens van die momenten dat ik me heel ongelukkig voelde. Was het niet om m’n flaporen of om m’n brilletje met z’n dikke glazen ( -6 ), dan was het wel omdat ik gepest was.

Maar oom, dat duurde slechts totdat u uit uw werk kwam en de deur binnenstapte. U zag direct wanneer ik ongelukkig was, nam dan de pet van uw hoofd en zette die bij mij op m’n hoofd. Daarbij kreeg ik een aai over m’n rug en, o ja, u  trok me altijd even tegen u aan. Dat voelde goed. Die grote sterke man, in die lange donkerblauwe jas. Ik voelde me dan speciaal.

Tante, dat soort momenten heb ik m’n hele leven met hem gehad. Hij kon me goed ‘lezen’.

Eugene Alexander BloemMaar ik heb ook altijd veel lachmomenten met hem gehad. Dat schalkse in hem… daar kon ik wel wat mee. De schavuit. De charmeur. De entertainer. Hij hield wel van de schijnwerpers. Ik denk met veel plezier terug aan de negentigste verjaardag van oma Em. Oom Alex bracht toen een prachtig Indonesisch lied ten gehore.  Ik heb het tijdens de montage zo vaak langs zien komen dat ik het beeld moeiteloos weer kan oproepen. En dat geeft me weer een warm gevoel. Ook op de oude films van oom Ben wist hij de schijnwerpers op zich te richten. Op heel natuurlijke wijze. Ik heb ook bij het monteren van die beelden krom gelegen van het lachen.

Oom, u was een lieve man. Ik was altijd weer blij als ik u zag. U gaf me het gevoel dat ik een speciaal plekje bij u innam. En ik weet dat het ook zo was. We klikten samen. We konden om dezelfde dingen plezier hebben. Dat was leuk. Ook die laatste jaren aan de tafel bij de AVA hadden we samen veel lol. En af en toe kwam toen weer die schavuit in u naar boven. Heerlijke herinneringen. Ik koester ze.

Ik zal me u herinneren als een beschermende, charmante, goedlachse schavuit, die me werkelijk altijd blij wist te maken.

Lieve oom,

namens Hitty, Aïsha, Ralf en ik weet zeker ook namens de gehele familie Krancher…

HORMAT.”

 

Ron Krancher

Copyright  © by Ronald E. Krancher ( Scribent / Anthropologist / Non-Western Sociologist) Weesp April 2009