Koh Samui 1984

Rustend in de schaduw van een palmboom, met uitzicht op een nagenoeg leeg strand en een uiterst vriendelijke zee, zag ik Hitty en Ish mijn kant op scharrelen. Ze speurden het strand af op hun zoektocht naar het kleinste en liefst zo zeldzaam mogelijke schelpje. Af en toe bukkend om een nieuwe vondst op te pakken en vol trots aan de ander tonend. De grootte van de schelpjes varieerden van twee tot vijf millimeter en zelfs de kleinste matabia was niet groter dan dat. Om je een indruk te geven: onderaan de foto ligt, naast het zwart/witte schelpje, een matabia van drie millimeter.

De zoektocht van Hitty en Ish leverde honderden minischelpjes op, waarvan een deel in een glazen flesje op een plank staat naast de andere flesjes gevuld met onder andere aarde en zand, die ons terugvoeren naar weer andere memorabele gebeurtenissen. Het is bijna dagelijks dat we een blik werpen op die prachtige diversiteit aan kleuren, die ons herinneren aan mooie momenten van betekenis.

Het was in 1984 toen we Koh Samui ‘ontdekten’; het Thaise eiland dat door Ish direct werd omgedoopt tot ‘Koh Konotië’, refererend aan de vele kokospalmen. Het oorspronkelijke plan was om over Sumatra te reizen, maar omdat de natte moesson ons overviel strandden we in de stad Sibolga. Op een prikbord in het hostel hing een briefje met de uitdaging om voor minder dan 160 Baht per dag Koh Samui ‘te doen’. 160 Baht was is die tijd ongeveer 16 gulden en wij hadden, na aftrek van de reiskosten naar het vliegveld in Kuala Lumpur (voor onze terugvlucht naar Amsterdam), nog slechts 12 gulden (120 Baht) per dag over om van te leven (wonen en eten). Toch gingen we de uitdaging aan en slaagden erin om van die 120 Baht rond te komen. Ik kan me niet voorstellen dat een ander rondreizend gezin dat record ooit heeft kunnen verbreken. Kortom: na het lezen van het briefje verruilden we het natte Sumatra voor het ons nog onbekende maar, volgens de schrijver van het briefje, prachtige en zonnige Koh Samui.

Zodra het weer het enigszins toeliet reisden we per bus naar Medan, vlogen met het eerste de beste vliegtuigje naar Penang en namen onze intrek in het New China Hotel. Een belevenis op zich, maar het ‘New China’ komt later wel een keer aan bod. Vanuit Butterworth namen we de trein naar Surrathani en vandaar de boot naar Koh Samui. Lekker snel opgeschreven, maar het was in die dagen een behoorlijk vermoeiende tocht, die ons vier lange dagen kostte.

Het was het meer dan waard, want we waren maar net op tijd om nog te kunnen genieten van het leven op een tropisch eiland voordat het door massatoerisme verpest werd.

Koh Samui was toen nog bijna maagdelijk. Palmbomen omzoomden de stranden, die nog het domein waren van de locale vissers en het aantal westerse reizigers was op twee handen en twee voeten te tellen.

Aankomst reizigers op Koh Samui (1984)

We sliepen in een familiehutje van het enige hotelletje (met vier éénpersoons-hutjes en twee familiehutjes) op Lamai Beach. Sterker nog: we vierden samen met de eigenaar de officiële opening. Eten deden we bij het restaurantje aan het einde van het strand, van waaruit we tegen het vallen van de avond ook toekeken hoe de vissersbootjes uit-voeren.

Restaurantje Lamai Beach (Koh Samui 1984)

Toen we vier jaar later terugkeerden op Lamai Beach troffen we er een strand omzoomd door kroegen en hotels. Geen kokospalm meer te bekennen; geen minischelp meer op het strand. Omdat hij zijn bedrijfje niet aan hen wilde verkopen, was de sympathieke eigenaar van het restaurantje door de maffia vermoord en op zijn plek staat nu een hotel met uitzicht op rondscheurende water-scooters.

Een landingsstrip was aangelegd en de toeristen werden massaal ingevlogen. Waar wij vier dagen moesten reizen om van Sibolga naar Koh Samui te komen, deed men dat vier jaar later in slechts een paar uurtjes. Na het zien van al die destructie namen we de eerst volgende boot naar Koh Phangan (‘het eiland verder’), dat jaren later (in 1996) door Alex Garland in zijn boek “The Beach” werd omschreven als het paradijs van waaruit zijn hoofdrolspeler de vlucht nam naar het, zoals hij het beschreef, verdorven eiland (Koh Samui).

Wij zijn er na 1984 en die teleurstellende halve dag in 1988, nooit meer teruggekeerd. Het flesje met daarin wellicht de laatste minischelpjes, herinnert ons bijna dagelijks aan het paradijs dat Koh Samui ooit was.

Ron Krancher